In Memoriam

Vandaag ging ze dood. ‘Dat zeg je zo niet van een mens. Een dier gaat dood, een mens sterft.’, zei iemand mij ooit. Ik vind het wel een nobele gedachte hoor. Maar toen mijn schoonvader te horen kreeg dat hij leverkanker had, zei hij simpel: ‘Ik ga dood.’ Zo doodeenvoudig is het. 

Dus, zij ging vandaag dood. Omdat er niet veel moois is aan sterven. Dat vooropgesteld. In je slaap sterven, oud en der dagen zat, kan misschien iets hebben van grandeur, maar haar dood heeft niets van dat al. Zij ging gewoon dood. Dertig jaar was ze. Hoe ze heette weet ik eigenlijk niet eens. Wel weet ik wie haar kinderen zijn. Twee mooie kinderen heeft ze. Wie de vader is weet ik ook niet. Of ze het zelf heeft geweten? Vast wel. Maar echt in beeld, als vader en als man voor haar, was hij al lang niet meer. 

Ze leefde om te overleven

Van een leven dat ooit misschien veelbelovend begon was al gauw weinig meer over. Ze leefde om te overleven. Kwam in het criminele circuit terecht. Werd enige tijd opgesloten in een gevangenis. Waren er ook drugs en drank in het spel die af en toe die momenten in herinnering brachten van een veelbelovend leven? Ik weet het niet, maar aannemelijk is het helaas wel. Misschien heeft ze ooit nieuwe hoop gevoeld. Toen haar twee kinderen geboren werden. Een meisje en een jongen. Hun namen zijn hetzelfde. Op de laatste lettergreep na. De ene eindigt op ‘li’ en de andere naam op ‘lo’. Open lettergrepen die haar hoop op beter leven lijken uit te drukken. Maar die hoop verloor ze ook. Toen ze niet voor hen bleek te kunnen zorgen. Ze hield van haar kinderen. Zoveel moeder was ze wel. Het lukte haar alleen niet haar leven op orde te krijgen. Dan grijpen organisaties als jeugdzorg en kinderbescherming en wat al niet meer in. Wat dan overblijft is het bittere besef, mislukt als moeder, mislukt als mens. Ergo, een mislukt leven. 

Wat overblijft is een zouteloze zee van perverterende protocollen

Ze ging dood aan een hersentumor met galgenhumor. Die tumor was wat je noemt het enige succesvolle in haar leven. Die haalde zijn succes door als suïcidale parasiet haar mislukte leven definitief te beroven van elk greintje hoop en geluk. En toen ze dood was, was er zelfs geen hoop voor haar kinderen dat zij hun moeder nog zouden kunnen zien. Er is geen geld, dus wil men haar niet de laatste zorg geven. Over hoe ze begraven moet worden, of gecremeerd, kan niet gepraat worden. Want tja, er is geen geld. Zelfs dit land dat zo pronkt en pocht met de medailles van een humane, christelijke en sociale politiek en drijft op de allerlaatste resten van een vlot dat ‘naastenliefde’ heet, heeft de liefde voor de doden opgegeven. De doden begraven blijkt tussen de klassieke werken van barmhartigheid geen plek meer te hebben…, als er geen geld is. Wat dan overblijft is een zouteloze zee van perverterende protocollen. 

Het was een waardeloos leven

Vandaag ging ze dood. Dertig jaar was ze. Totaal mislukt. Wie haar korte leven overziet met de door geld getekende ogen van de hedendaagse maai- en graaicultuur moet wel vaststellen: het was een waardeloos leven. Voor haar richt ik een gedenksteen op. Die heeft ze wat mij betreft verdiend. Net zoals alle mensen die verdienen, die doodgaan aan een mislukt leven. Er komt niets te staan op die steen. Dat moet alles zeggen wat er te zeggen valt. 

____________

Ergens spelen haar kinderen. Opgenomen in gezinnen die, Goddank, de laatste resten van  het vlot van naastenliefde blijkbaar moeiteloos bijeen houden. Ze groeien er op. Aarzelend, haperend, als in een Echternach-processie. Tastend, struikelend, als blinden naar aanbrekend daglicht op een onbekende weg. Zij leven samen verder een leven dat veelbelovend begon. Tot dierbare gedachtenis van hun moeder. Die vandaag dood ging. Dertig jaar jong. 

Advertenties

Gea(r)mputeerde God

Voetballers hebben er wel een handje van. Om als het even kan en de scheidsrechter niet kijkt de bal een handje te helpen. Het doel in. Als grote voetballers dat doen wordt die menselijke hand plotseling de hand van God genoemd. Dan raakt het menselijke blijkbaar zo dicht aan het goddelijke dat de grens tussen God en mens vervaagt, het kromme recht wordt en Gods hand en mensenhand tot één vervloeien. Hoe heerlijk, om zo naam te maken. Dat de mens hier uitsluitend met de spelregels de hand licht hoeft geen betoog. Iedereen ziet het. Camerabeelden liegen niet. En we kunnen er om glimlachen. 

De Godswording van de mens

De bijbel beschikt niet over camerabeelden. Wel over godsbeelden. Of zijn het beelden die mensen over God hebben? Menselijke projecties over het onnoembare dat we ‘God’ zijn gaan noemen? Projecties die zo menselijk waren dat Jezus Christus daar de logische goddelijke gestalte van werd? De godswording van de mens. Wat we in Psalm 8 bijna waren werden we in Christus werkelijk en eindelijk. Goddelijke mensen. Is het daarom dat geleidelijk aan Gods vingers, waarmee Hij hemel en aarde wrochtte, menselijke handen werden? Zijn stem waarmee Hij als bij donderslag de dingen tot aanzijn riep, een menselijke stem werd? In Psalm 8 al aanwezig als zuigelingstem, maar vandaag een volwassen stem. Tot goddelijke wasdom gekomen. Of licht ik nu de hand met de regels van ons algemeen ongetwijfeld christelijk geloof?

Willem Aantjes bad eens: 

God van Adam en Eva.
Wij roepen u aan: ontferm u over de armen en ellendigen in onze wereld, die uw wereld is. Wij loven u, want uw ogen zien hun ellende.
Wij bidden u: bekeer ons, want u hebt geen andere ogen dan onze ogen.
Heer, ontferm u over ons.
 
God van Hagar en Sara.
Wij roepen u aan: ontferm u over wie geen weg meer zien in onze wereld, die uw wereld is. Wij loven u, want u baant voor hen een weg en laat hen in uw voetstappen treden. Wij bidden u: bekeer ons, want u hebt geen andere voeten dan onze voeten.
Heer, ontferm u over ons. 

jesus no hands feets.jpgGod van Israël en Ismaël
Wij roepen u aan: ontferm u over de verdrevenen en vervolgden in onze wereld, die uw wereld is. Wij loven u, want uw armen vangen hen op. Wij bidden u: bekeer ons, want u hebt geen andere armen dan onze armen.
Heer, ontferm u over ons.
 
God van Ezau en Jacob.
Wij roepen u aan: ontferm u over de gevangenen en gemartelden in onze wereld, die uw wereld is. Wij loven u, want u hoort hun hulpgeschrei. Wij bidden u: bekeer ons, want u hebt geen andere oren dan onze oren.
Heer, ontferm u over ons.
 
God van Lea en Rachel, 
Wij roepen u aan: ontferm u over wie hongeren en dorsten naar brood, water en gerechtigheid in onze wereld, die uw wereld is. Wij loven u, want u strekt uw handen naar hen allen uit. Wij bidden u: bekeer ons, want u hebt geen andere handen dan onze handen.
Heer, ontferm u over ons.

Bekeer ons, want u hebt geen andere handen dan onze handen. Is dat niet hetzelfde als jezelf aan je haren uit het moeras omhoog trekken? Of, geneesheer, genees uzelf? Als dat hetzelfde is, en dat is het volgens mij, dan moeten we, consequent doorgeredeneerd, dus onszelf verlossen. En we moeten onze projectie van God en ons zelfbeeld grondig herzien. Dat wil zeggen, wij zijn het bijna goddelijke ontstegen en geëvolueerd tot het goddelijke, en God is, of dood, of zwaar gea(r)mputeerd door diezelfde vergoddelijkte mens. Stokdoof, stekeblind, zwaar onthand en lamlendig gemaakt in de meest letterlijke zin.

God een heel handje helpen

Wat moeten we als gelovigen, en wat moet de kerk als leerhuis van en voor gelovigen vandaag nog met een God die sprak en het was er? Met Gods ogen die op de rechtvaardigen zijn en met zijn oren die gespitst zijn op hun hulpgeroep? Met zijn sterke hand en uitgestrekte arm? Met de voetbank zijner voeten? Zo’n transcendent antropomorf voorgesteld goddelijk wezen scoort vandaag niet meer. Willen we nog met zo’n God scoren dan moeten we Hem een handje helpen. Een heel handje helpen. En al is dat een heidens karwei, zo maken wij wel naam. 

En Hij, die in de hemel zetelt lacht. Vooropgesteld dat Hij een mond en gevoel voor zulke menselijke morbide humor heeft natuurlijk.

Toe-roepen of boe-roepen

Hoorde jij ook bij de menigte rondom de Ronde van Frankrijk tussen wie het wielerpeloton afgelopen drie weken door fietsten? Natuurlijk, als je een liefhebber bent dan stond je er ook. Langs een kasseienstrook, op een berghelling van 10 % en liefst meer, precies daar waar renners verstrikt raakten in buizen en benen, crank-assen en kettingen tijdens een valpartij, bij de finish van een massasprint en/ of bij een meetpunt van de tijdrit…, thuis of live, het maakt niet uit. Prachtig om iets te ervaren van de heroïek van echte kerels van nauwelijks 60 kg. op een carbonframe van amper 3 kg., balancerend op bandjes van net een centimeter breed (vanwege het aanstaande verbod op genderspecifiek onderscheid bedoel ik met ‘kerels’ ook de vrouwen op een racefiets, want die kunnen er ook wat van). 

Als je niet tussen de menigte stond, kun je nu stoppen met lezen. Als je er wel tussen stond is de volgende vraag: Wat deed je tussen de menigte? Toe-roepen of boe-roepen? Toekijken of afzeiken (soms letterlijk). Ik weet het, het is een gewetensvraag en daarom een hele persoonlijke vraag. Zo eentje die ons te dichtbij komt, zeggen we dan. Dus laat ik er dan maar eerst op antwoorden. Ik deed het beide. Toe- en boe-roepen. Toe-roepen als ik Tom Dumoulin zag. Boe-roepen als ik de Sky-ploeg zag. Vooral boe-roepen als ik Chris Froome zag. Bij hoog en bij laag. Met maar één doel: framing Froome. 

Niet netjes? Ik weet het. Maar nu ik toch zo openhartig ben, moet ik ook bekennen dat het met elke kilometer die de renners door het Franse land joegen minder werd. Anders werd. Eerst beschaafder.  – Beschaafd boe-roepen, kan dat? – Toen kwam één van de laatste etappes. Een tijdrit. Ik zag Froome zijn kilometers opvreten. Soeverein, in een koninklijke cadans. Ondertussen allerlei rituelen uitvoerend. Van het beroeren van het profetisch metertje op het stuur tot het tasten naar het communicatiekastje op de rug die hij als de Mur-de-Bretagne had gerecht. Een heilige op een fiets. In gebedshouding. Toen ontplofte het zomaar in mijn gedachten, stamelde mijn mond: Ik hoop dat hij deze tijdrit wint. 

Zei ik dit echt? Ja, ik was het. De boe-roeper. Ik realiseerde mij ineens wat de media met je doen als je de deur, zoals ik, voor ze open zet. Ze doen het langzaam, lispelend als de slang in de Hof van Eden. En je trapt erin. Je eet wat ze je voorzetten. En ik zag plotseling wat Chris Froome deed. Gewoon fietsen (nou ja, gewoon). Met respect voor zijn mede-renners. Met het besef dat boe-roepers verloren zieltjes zijn die gered moeten worden. Daarom trapt hij als een dolle het molentje van zijn fiets rond. Als een messiaanse martelaar die tegen beter weten in het vuur van de brandstapel probeert uit te trappen. Die beseft dat voor de boe-roepers de chrono op vijf-voor-twaalf staat. Slechts 300 tellen, en dan ook nog bergop. Een hel(s)e toer. Een Tour de Force!

Gisteren stond hij op het erepodium. De gouden glans van zijn prestatie kleurde zelfs de trui van zijn teamgenoot Thomas geel, meende ik te zien. Zelfs niet in zijn beste doen en tegen de stroom van het boegeroep in lukte het hem toch. Ik bekeerde mij. Van boe-roeper tot toe-roeper. “I learned my lesson, Chris. Well done Mr. Froome! Praise the Lord for people like you.”  

Van Veertig naar Vijftig

Van Veertig naar Vijftig. Dat is van de Mem (מ) naar de Nun (נ). Mem en Nun zijn letters uit het Hebreeuwse alfabet. Nu kun je in het jodendom niet zomaar, achteloos, een letter noemen. Elke letter heeft haar eigen getalswaarde en haar eigen verhaal. De getalswaarde van de Mem (onze ‘m’) is veertig. Het verhaal achter de Mem is wachttijd. Het is wachten op de vervulling van Gods beloften. In de leerstof van Hebreeuwse letters van Studiehuis Reshiet staat: ‘Wachten is het moeilijkste wat er is (…). Om niet de moed te verliezen moet de wachttijd worden geordend, ‘besneden’: wie de tijd niet ‘besnijdt’, wie geen getijden  (= ‘afgesneden’ stukjes tijd) in acht neemt, wordt doelloos op den duur, en verliest met de herinnering van het verleden ook de hoop op de toekomst.’ 

De Veertigdagentijd is ‘besneden’ tijd. Een tijd die met de dagen van de Stille Week intensiveert. Een ‘afgesneden’ tijd die met Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag binnen de Veertigdagentijd aparte stukjes ‘afgesneden’ tijd kent. Tijd van wachten. Tijd van inkeer. Tijd van de grote daden van God gedenken. De Mem wijst ook op water. Voor de jood: het wijkende water van de Rietzee, water uit de rots in de woestijn; het wijkende water van de Jordaan, water van reiniging. Voor de christen: water van de doop, van ondergaan en opstaan, van geboorte en wedergeboorte.

De getalswaarde van de Nun (onze ’n’) is vijftig. Het verhaal achter de Nun is bevrijding. Na veertig komt vijftig. Na het wachten op Gods beloften komt de vervulling van Zijn beloften. Pasen, bevrijding, opstanding! Een nieuwe tijd begint. Deze begint opnieuw met een stukje ‘afgesneden’ tijd. Vijftig dagen. Van Pasen naar Pinksteren. Het symbool voor bevrijding is betekenis van de letter Nun. In het Hebreeuws betekent Nun ‘vis’. Vijftig dagen zijn de dagen van de vis. Deze Nun wordt vooral voor de eerste christenen onder de vervolging het teken, het symbool van een vis, in het Grieks ichtus. De letters van dat woord verwijzen naar Jezus Christus. Iesous Xristos Theoe Uios Soter – Jezus Christus, Gods Zoon, de Redder. 

Van Mem naar Nun. Dat is van Veertigdagentijd naar Vijftigdagentijd. Van wachten op redding, naar leven in vrijheid. Want nu de Heer is opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan. De Vijftigdagentijd wordt opnieuw een tijd van wachten. Maar nu in een nieuwe tijd. In een tijd van vrijheid. Op weg naar de voltooiing van Gods belofte. Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft (Joël 3: 1).

En voorproefje van het Koninkrijk van God

Als iemand mij over 12 jaar zou vragen: “Wat deed je op 12 februari 2018?”, dan zeg ik: “Toen heb ik gehuild.” Nu huil ik wel eens vaker, maar niet zo heel vaak om het geluk van anderen. Maar 12 februari was zo’n dag dat ik geraakt werd door het geluk van een ander. Door het geluk van Ireen Wüst. Ik geef toe, al vanaf dag één dat zij op het ijs verscheen ben ik fan van deze stoere streekgenoot die zoveel wint. Nu won zij voor de vijfde keer een gouden medaille bij haar vierde Olympische Winterspelen. En zij liet haar tranen, na een immens spannende 15 minuten waarin allerlei toppers haar nog van de eerste plaats konden rijden, de vrije loop. Want het lukte niemand om haar toptijd te verbeteren.

Ze zat op het middenterrein. Gehurkt. De vingers gekruist. Keek niet op en leek in diep gebed verzonken te zijn. Pas de laatste honderd meter van de laatste tegenstanders volgde ze met bange blikken. Met lispelende lippen, als Hanna bij Eli in de tempel, prevelend bij elke schaatsslag: “Het zal toch niet…, het zal toch niet…?” En het zou niet. Ireen won en daarmee haar vijfde olympische gouden medaille. Haast te mooi om waar te zijn. De cirkel was rond, zei ze. Precies 12 jaar na haar eerste gouden medaille. Ze sprong in de armen van haar trainer, rende naar haar familie – die haar altijd en overal steunt – stak de armen in de lucht, zeeg op haar knieën op het stootkussen…, en toen was er de koning. Die haar omarmde, beklopte en haar tranen droogde met zijn koninklijke jas toen hij haar tegen zijn vaderlijke borst drukte. Die zich niet te groot voelde om tussen het ‘gewone volk’ op zijn beurt te wachten om haar te feliciteren. Het had allemaal iets religieus. Het waren sacrale seconden die zij en wij met haar beleefden op 12 februari 2018. Schaatsen uit, schoenen uit, muts af, de armen geheven. Even stonden we met elkaar op heilige grond.

wust

Misschien huilde ik ook wel daarom. Om die religieuze reuring die zo eigen is aan het werk van de Geest. De Geest van God. Of mag je dat zo niet zeggen? Is dat teveel inlegkunde en te weinig uitlegkunde? Ik weet het niet, maar ik proefde iets van het Koninkrijk van God. Zoals professor van Ruler zei als hij aan zijn pijp lurkte of genoot van het voetbal op de tribune bij FC Utrecht. Nee, eigenlijk weet ik het wel. In deze momenten van grote schoonheid, van kunst, van overgave, van ‘Begeisterung’, is de Geest aan het werk en proeven we inderdaad iets van het Koninkrijk van God. Over de Geest van God zeggen we niet gauw teveel, al komt Hij/ Zij er bij ons vaak bekaaid van af. Alsof de Geest een stiefkind is van de heilige Drie-eenheid. De Geest is veel meer en overvloediger aan het werk dan in de kerk, dan in wonderen, dan in een Bijbellezing of een preek. De hele schepping is doortrokken van de heilige Geest. Van het rafelige roodbaaien hemd van Jopie Huisman tot Christos Redentor die hoog verheven zijn armen beschermend legt om de ten hemel schreiende favela’s van Rio. De Geest van God inspireert door het grote en het kleine. Van een kind dat met wat potloodkrassen trots zijn eerste zelfportret presenteert tot de schaatser die na jaren training voor de zoveelste keer het beste presteert.

De Geest van God spreekt. In kindergebrabbel (zegt Psalm 8) en in de wijze woorden van de ouderdom. Onlangs sprak ik iemand die 100 jaar was geworden. Ik vroeg haar hoe ze terugkeek op haar veelbewogen leven. Had ze achteraf spijt van dingen? Had ze dingen anders moeten doen? Ze dacht even na, overdacht in een tijd sneller dan Wüst de 1500 meter schaatste haar honderdjarige leven en zei: “Nee, ik heb geleefd. Ik heb het leven geleefd. Zoals het kwam.” Haar eenvoud raakte mij. Een sacraal moment. Een heilige plaats. Ik kon het niet helpen, maar ook toen moest ik huilen. Huilen van ontroering. Want ik zag het voor me. Zij bij de Koning. Die zich niet te groot voelt om onder het ‘gewone volk’ te komen. Die als ze naar Hem opziet en zegt “Ik heb geleefd”, haar omarmt, bemoedigend beklopt en haar tranen droogt met zijn ‘koninklijke jas’ als Hij haar tegen Zijn vaderlijke borst drukt. Een prachtig visioen. Te mooi om waar te zijn? Nee, ‘gewoon’ de Geest van God aan het werk. Die ons altijd en overal iets aanreikt om te laten proeven. Een voor-proefje van het Koninkrijk van God.

 

Het Kerstverhaal

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van Rina. ‘Licht…. Het is er in talloze varianten…. Licht…letterlijk en figuurlijk….  Licht… mogelijkheid om te zien en gezien te worden als mens met nààm! Laat ik je nu vertellen over mijn huisgenoten. Ik leef samen met Job, een Duitse herder en hulphond met pensioen. Ik leef samen met Mozes, een Rhodesian en hulphond. Ik leef samen met Prediker, een Rhodesian en leerling-hulphond.

Job… de bijbel vertelt een verhaal: Job wordt uitgedaagd door de Schepper…of? In het samen leven met Job blijf ik mij bewust van mijn keuze om de band met de Schepper te blijven zoeken en te onderhouden. Job, lijden léven. Mozes.. de bijbel vertelt een verhaal: Mozes doet zijn uiterste best en op het moment supreme het beloofde land niet in mogen… of?  In het samenleven met Mozes voed ik mijn hoop dat dood slechts ‘dood’ is. Mozes, leren léven. Prediker.. de bijbel vertelt een verhaal: zoveel kennis van en over de Schepper en tegelijkertijd diens ‘verborgenheid.’ In het samenleven met Prediker lach ik, heb ik respect voor haar kennis en haar ondoorgrondelijkheid. Prediker, lééf het moNUment.

Job, Mozes en Prediker zijn kostbare leefgenoten. Ik ontvang licht van hen en wens daardoor licht door te geven.’

Job_Mozes_Prediker_dec_2017.jpg

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van Linda en Pierre, mijn goede vrienden. ‘Zullen we je vertellen over Pascalle? Ja, laten we dat doen. Pascalle. Onze dochter. Een prachtige meid. Een vrolijke meid. Een dochter met oneindig veel liefde voor ons. Als we ’s avonds naar bed gaan, klopt ze op de muur. Dan horen we haar roepen: “Ik houd van jullie, zo groot als de hemel is.” Pascalle, haar naam heeft een diepe betekenis. Geboren op Pasen. Dat is niet helemaal waar. Pascalle is geboren rond carnaval. De precieze dag weten we niet meer. Was het aswoensdag? Of de eerste zondag van de Veertigdagentijd? Ja, deze laatste was het. Zondag invocabit. De zondag van God erbij roepen. Alsof het zo voorbestemd was.

We hebben God erbij geroepen. Toen ze met al haar kracht vocht tegen het onvermijdelijke. We hebben God erbij geroepen. Toen ze in een witte stilte lag. Haar hoofd in doeken gewikkeld. Bij een kwijnend regelmatig terugkerend piepje. We hebben God erbij geroepen. Toen ze glijdend tussen onze handen door verdween in een diepe afgrond. Maar soms, zomaar, bij het stoffen van haar kamer, voelen we haar hand. Horen we haar stem: “Ik houd van jullie, zo groot als de hemel is.” Pascalle overleed vlak voor haar geboortedag. Maar uit de grote hemel klinkt: “Geboren op Pasen. Voorgoed.”’

christmas_PNG17214.png
Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van Marco. ‘Zal ik je vertellen van mijn verlamming? Dat kan ik doen. Ik weet er zo ongeveer alles van. Al ongeveer vijfendertig jaar ben ik met haar vertrouwd. Tenminste, dat denk ik. Ik houd de tijd niet zo bij. Zal ik vertellen dat de verlamming mij zo beperkt dat ik altijd handen aan mijn lijf toe moet laten? Vreemde handen. Handen die ik soms niet wil. Vertrouwde handen. Handen die ik soms mis. Maar wie begrijpt dat?

Nee, laat ik wat meer vertellen over die vertrouwde handen. Die zijn er zo veel. De kordate en sterke handen van mijn vader. Ze tillen mij op. Soms boven mijzelf uit. De zachte zorgzame handen van mijn moeder. Als ik mij bij iemand thuis voel dan is het wel bij haar. En laat ik niet de handen van mijn broers, mijn zus en mijn schoonzus vergeten. Ze laten mij merken hoeveel ze van me houden. M’n broers wat onhandig, m’n zus zo bijdehand, m’n schoonzus met zachte hand. Handen zijn het die ik niet missen kan. En dan heb ik het niet eens over zoveel andere vertrouwde handen. Van vrienden. Van huisgenoten. Van de chauffeur die mij vaak ophaalt en weer thuisbrengt en mij met vaste hand door het drukke verkeer loodst. Ja, dat wil ik vertellen, dat ik op handen word gedragen. Ja, zo zeg ik het goed.’

christmas_ornaments.gif

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van een jonge vrouw. Zonder naam. Eén van de velen. ‘Veertien jaar was ik. Ik had al verkering. Ik ging er helemaal voor. Ik had de prins van mijn dromen. Maar hij werd de prins van mijn demonen. Vond hij mij niet mooi? Hij keek wel vaak en graag naar andere meisjes. Vond hij mij te dik? Hij wees wel vaak naar meisjes die in zijn ogen superslank waren. Ik at bijna niet meer. En soms veel te veel. Al moest dat er wel weer zo snel mogelijk uit. Het ergste gebeurde. Langzaam ging ik kapot. Samen met mijn relatie.

Ik zocht liefde bij een ander. Maar vond die niet. Ik zocht liefde bij weer een ander. En raakte zwanger. Van de eerste keer. ik wist me geen raad. Mijn tranen vloeiden. Rivieren vol verdriet en spijt. Toch, tegen alles in, mijn kind wilde ik niet kwijt. Hij werd geboren en had het Syndroom van Down. Ik dacht: ‘Dit is mijn straf.’ Maar de hemel lachte en langzaam leerde ik meelachen. Mijn zoon werd mijn zon. En ik genas van mijn zieke zelfbeeld.’

christmas-ornament-png-download-christmas-ornament-png-images-transparent-gallery-advertisement-1115.png

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van miljoenen mensen. Het is het verhaal van u en van jou en van mij. Het is het verhaal van gebroken levens. Van mensen op zoek naar heelheid, vrede en gerechtigheid. Van mensen die geloven en hopen en liefhebben tegen ontkenning, tegen wanhoop en tegen liefdeloosheid in.

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van een mens. Geboren in stikdonkere nacht. Vele namen droeg Hij. Hij werd genoemd: wonderbare raadsman, goddelijke held, eeuwige Vader, Vredevorst. Hij noemde zichzelf, Zoon des Mensen, Licht der wereld, Ware wijnstok, Goede herder. Hij was het levende brood van God uit de hemel neergedaald. Op Hem en om Hem hopen wij, in Hem en door geloven wij. Met Hem en uit Hem hebben we lief. Want Hij wordt ook genoemd, Heiland, Heelmaker van ons gebroken bestaan.

Dit is het Kerstverhaal.


	

De mens – bevragenswaardig

Zondag van de Voleinding. In vele kerken worden tijdens de viering de namen genoemd van gemeenteleden die in het afgelopen kerkelijk jaar overleden zijn. Mensen zijn niet zomaar mensen. Mensen hebben namen. De Joods-Franse filosoof Marc-Alain Ouaknin zegt in zijn lezenswaardige boekje ‘God en de kunst van het vissen’ (Lannoo 2016) dat ‘de mens ontplooiing [is] tot, streven, spanning en verlangen. Altijd verder dan de identiteit. De mens vormt zich en wordt in de tijd.’ (blz.160) En die wordende mens heeft een naam, een ‘sjem’ dat in het Hebreeuws verwant is aan ‘sjam’; daarginds. Een prachtige samenhang. De mens met een naam is aangelegd op daarginds, op toekomst. In die zin wordt de mens in de tijd. ‘De mens bestaat in een onophoudelijk anders worden.’ (blz.160) Dat is zelfs zijn verantwoordelijkheid.

In de Hebreeuwse taal  staan letters ook voor cijfers. Zo is de getalswaarde van Adam (mens) 45. Dat getal 45 wordt als mah geschreven. Een woord dat ‘wat?’ betekent. Ouaknin legt uit dat de mens een vraag is. In Psalm 8 en in Psalm 144 komen we de vraag tegen: ‘Wat is de mens?’ De Bijbel geeft daar verschillende antwoorden op. Ouaknin zegt: ‘De mens is de wachter van het vragen. Door het ‘waarom’ te bewaren laat hij het woord dat hem vormt opleven.’ (blz. 161) Dat vind ik een zeer diepzinnig antwoord. Het vraagt niet om uitleg, het vraagt om overleg. Het antwoord nodigt uit tot overdenking en doordenking. De mens met een naam genoemd is wachter van het vragen.

Kerstfeest 2017 is aanstaande. We vieren de geboorte van de Messias. We noemen zijn naam: Jezus, God redt! Maar voorbij het kerstfeest hoor ik een doordringende vraag. Van deze Jezus die zichzelf noemde, de Mensenzoon. ‘Mijn God, waarom…?’ Laat die vraag ons niet juist de Mens zien die Hij geworden is in de tijd? (…) [O]ntplooiing tot, streven, spanning en verlangen. Altijd verder dan de identiteit…, van Adam naar God redt?

—???—

Voor de viering op Zondag van de Voleinding schreef ik een gedicht. Geïnspireerd door Marc-Alain Ouaknin die verder over de mens als wachter van het vragen zegt: ‘De mens, adam/mah, is openheid naar de toekomst.’ (blz. 161) Zou ik het ook zo mogen zeggen: Door de Adam van het ‘Waarom?’ is er openheid naar de toekomst?

Met bijzondere dank aan Rens Boevé plaats ik de foto van de liturgische schikking. Hij bracht het noemen van de namen prachtig in beeld. Foto en gedicht draag ik op aan allen die ons ontvallen zijn en die we hardop en/ of in de stilte van ons hart telkens noemen en aan allen die met het gemis van geliefden leven. We noemen hun namen. Niet omdat wij mensen beklagenswaardig zijn, maar omdat wij mensen -naar Psalm 8- juist bevragenswaardig zijn! In Jezus naam.

In Zijn naam

Hij noemde jou bij je naam.
Hij riep jou, mens,
te worden
meer dan je denkt te zijn.

Jouw naam is meer dan zijn
jouw naam is een bron
van mogelijkheden,
van nieuwe vormen
van denken
en handelen
naar jouw vermogen,
om boven jezelf uit
mens te worden.

Je draagt jezelf vooruit,
je draagt je leven –
in die ene Naam genoemd –
op de toekomst aan.

Jouw naam is antwoord op
en echo van Zijn naam.
Naam mag je maken,
naam, In Zijn naam.

In Zijn Naam,
boven alle namen
In Zijn Naam
bron van jouw bestaan.
Als meer dan mogelijkheid,
denken en handelen,
als meer dan jouw vermogen,
is Zijn Naam belofte
dat jij mens wordt in Zijn Naam

Hij schrijft jouw naam
Hij kerft jou, mens,
zorgvuldig
in Zijn hart en handen

Voor altijd word jij, mens,
in Zijn naam genoemd.

(© Johan Duijster 2017)

Schermafbeelding 2017-11-27 om 09.34.37

500

Museum Haarlem houdt een expositie over 500 jaar ziekenzorg in en rond Haarlem. Er is in 500 jaar veel veranderd. Ooit begon het met een gasthuis voor zieken. De zorg ging niet verder dan tweemaal daags een maaltijd. Dat klinkt logisch als je aan moet sterken. Maar door gebrek aan hygiëne was het gasthuis meer een sterfhuis. Wie in het gasthuis werd opgenomen liep gerede kans dat met de dood te moeten bekopen. Vandaag is het andersom. De hele zorg is op herstel gericht. Onderzoek, techniek en hygiëne zijn onmisbare instrumenten geworden van de gezondheidszorg.

luther-playmobilDe Protestantse Kerk Nederland (o.a.) besteedt dit jaar ook aandacht aan 500 jaar. In haar geval, aan 500 jaar protestantisme. Of liever, 500 jaar reformatie. Er is in 500 jaar veel veranderd. Ooit begon het met aandacht voor de ‘gewone gelovige’. Met Gods Woord in gewone taal. Met geloven en belijden zonder Kerk-Latijn en tierlantijn. De reformatie ging om een levende kerk voor iedereen. Met haar instrumentarium van de Bijbel in gewone taal en de vijf sola’s (zie https://isgeschiedenis.nl/node/19115)  ging het de reformatie om herstel van de kerk van Jezus Christus.

Vandaag lijkt het erop dat de reformatie de tegenovergestelde beweging van de gezondheidszorg heeft ingezet. Wie vandaag in die kerk rondkijkt, meent vooral een kerk te zien die op een sterfhuis lijkt, waarvan het orgel, de dorpelwachter, de dominee met toga die oproept tot bekering en de jong-gelovige tot museumstukken gepromoveerd zijn.

Dat laatste neem ik niet graag voor mijn rekening. Dat is voor de zwart-witkijkers onder ons en voor degenen die tegen kerk, geloof en God zijn. Want zo is het niet. Wat 500 jaar reformatie gebracht heeft is een kerk die veel beklemmende ballast -zij het met moeite- van zich heeft afgeschud en waar steeds meer aandacht is gekomen voor het allerbelangrijkste principe dat de basis is geweest en nog altijd is van het schepsel ‘mens’. Namelijk, dat deze vrij is. Vrij om te kiezen. Vrij om te geloven, of niet te geloven. Vrij om te kiezen, voor of tegen God. Die vrijheid, dat moet er wel bij gezegd worden, is pas vrijheid als ze de liefde leert. Zonder liefde zouden we geen weet hebben van wat vrijheid is. En zonder vrijheid zijn we…, inderdaad, dood! Zo dood als poppen aan een touwtje.

Maar Godzijdank (!), verlost van Kerk-Latijn en tierlantijn verkondigt de kerk vandaag nog altijd de liefde van God door Jezus Christus. Levendiger dan Hij is, krijgen we de kerk niet. En het is Zijn liefdevolle zorg die geheel op het herstel van Gods schepping is gericht. Niet 500 maar duizend, duizendmaal o HEER, zij U daarvoor dank en eer!

oe-isjke pjaa

Je hebt liefhebbers op allerlei gebied. Van francofielen tot (pedo)filatelisten en van epicuristen tot amforafielen. Toelichting: een francofiel houdt van Frankrijk en onder die verzamelnaam schaar ik liefhebbers van reizen. Een (pedo)filatelist verzamelt (kinder)postzegels. Onder hen schaar ik allerlei soorten verzamelaars. Een epicurist houdt van lekker eten. En een amforafiel houdt van drank. Die laatste term heb ik zelf bedacht. Om het verschil aan te duiden met alcoholisten. Alcoholisten maakt het niet uit wat zij drinken, zolang er maar alcohol in zit. Amforafielen houden van wat zij drinken. Tot die laatste groep behoor ik. Om het preciezer te zeggen, ik houd van oe-isjke pjaa (lett. levenswater), afhankelijk van de streek in Schotland ook wisjkebèë genoemd.

Aha!’, zegt u? Inderdaad, uit de school van amforafielen ben ik een whiskyliefhebber. ‘Afgestudeerd?’, vraagt u? Nee, ik volg nog steeds de lessen. Met veel genoegen, moet ik zeggen. Ik zit in een klas van twaalf studenten. Dat schijnt u een bijzonder aantal toe, meent u? Ja, dat zou best kunnen. Hoe dan ook, voor elke les, we hebben ongeveer vier lessen per jaar, krijgen we een bepaald thema op en daar zoeken we dan een whisky bij. De twaalf leerlingen zijn opgedeeld in zes vaste duo’s. Twee zijn immers beter dan één, gelooft u? Nou ja, het voorkomt drankmisbruik, denk ik. Twaalf soorten op een avond proeven is gewoon teveel van het goede. Daarom koopt de één een fles, de ander zoekt er een geschikt hapje bij.  Dat doen we zo om beurten. Aan het einde van elke les is er een beoordeling. Iedere leerling beoordeelt de verschillende whisky’s op smaak, kleur, geur en combinatie met de hapjes. Het duo met de hoogste score krijgt een bijzondere aantekening.

Naast veel gezelligheid en saamhorigheid en broederschap gaat het om proeven. Het proeven. Smaakt en ziet dat de whisky goed is. Met je neus, met je ogen, met je mond…, zelfs met je oren. Want het is opletten geblazen als je rondom de tafel goedkeurende of afkeurende opmerkingen hoort. Daaruit kun je soms al opmaken welke kant het opgaat. Sommigen houden van zoete, makkelijke, toegankelijke wihisky’s. Sommigen houden van rokerige, medicinale, pittige whisky’s. Sommigen houden van complexere whisky’s waarvan de smaak zich niet 1-2-3 proeven laat. Het is een cliché, maar smaken verschillen. Ondanks die verschillen komen we toch elke avond weer tot een top-3. En ook al heeft jouw whisky niet gewonnen, iedereen gaat vrolijk en opgetogen naar huis en kijkt weer uit naar de volgende les. Waarbij we elkaar beloven onze kennis op peil te houden.

monnik

Toen ik in mijn studeerkamer met dat laatste bezig was en het gouden vocht bedachtzaam ronddraaide in het glas, dacht ik: Ja, je hebt liefhebbers op allerlei gebied. Er zijn bijvoorbeeld ook theofielen. U kent alleen een Theofiel uit Suske en Wiske, zegt u? Dat kan. Want meestal noemen deze liefhebbers zich niet zo. Met Lucas, de schrijver van het gelijknamige evangelie en van de Handelingen der Apostelen, komen we ze op het spoor. Hij heeft zijn werk geadresseerd aan Theofilus, een verzamelnaam voor mensen die ‘geloven in God’ als liefhebberij hebben. Ze komen regelmatig bij elkaar. Want ze zijn nog lang niet afgestudeerd. Ze komen bij elkaar om te proeven. Om te proeven van het oe-isjke pjaa. Ja, daar hoort u van op hé? Maar zo is het. Zij komen om te proeven van het levenswater. In de taal van hun geloof heet het Levend Water.

Boven veel gemeenschapszin en saamhorigheid en broederschap gaat het hun om proeven. Proeven van het Levende Water. Smaakt en ziet dat het Levende Water goed is. Met alle zintuigen. Dat Levende Water noemen ze Jezus Christus. Of Levend Woord van God. Nu heb je in zo’n groep voorkeuren. Want, daar heb je ‘m weer, smaken verschillen. Een aantal van hen houdt van halleluja, hoofd omhoog en hart naar boven. Een andere groep houdt van Jezus voor en na en in de gloria. Sommigen houden meer van het mystieke, van het zoeken en het vragen. Toch, hoe groot de verschillen ook mogen zijn, hun top-3 ziet er altijd hetzelfde uit. Vader, Zoon en heilige Geest. Ze hebben alleen moeite met de volgorde. Kijk, bij whisky is het verschil duidelijk. Je hebt single malts, blended malts en gewone blends. Bij het Levend Water is er geen duidelijk onderscheid. Vader, Zoon en heilige Geest zijn ‘onverdeeld in zijnden en toch van elkaar gescheiden’, zo zei ooit een groot kenner.

‘Het gaat m’n pet te boven’, zegt u? Dat kan ik me voorstellen. Daar gaat een hele geschiedenis achter schuil. Daar komen ze niet op uitgestudeerd. Soms raken over de verschillen in smaak de gemoederen verhit. Maar dan heffen zij het glas en doen er wat te eten bij. Ondanks hun verschillen blijven ze eensgezind, gaan ze vrolijk en opgetogen naar huis en kijken weer uit naar de volgende les. Met daarbij deze aantekening…

…Ik kijk naar mijn glas. Ik ruik nog eens. Met een zucht van verlangen neem ik een slokje en denk: dat het zo toch zou mogen zijn…, in de kerk.  😇

Sa(i)nté! 😋

 

 

Papieren Tijgers

Papieren tijgers. Dat zijn zaken die er dreigend en gevaarlijk uit zien, maar geen werkelijk (schadelijk) effect kunnen hebben, zegt meneer Wiki tegen mij. Helaas is dat niet waar. Onze samenleving is volgestopt met papieren tijgers. Maar dan wel met papieren tijgers die wel degelijk schadelijk effect hebben. Papieren tijgers die de zaken stevig in de klauwen hebben. Neem bijvoorbeeld de papieren tijger die we netjes ‘diploma’ noemen. Zonder dat ‘papiertje’ kom je niet ver. Daar is veel voor te zeggen. Want zonder een bepaalde mate van kennis van zaken loop je zekere risico’s. Neem een brandweerman die de vlam in de pan met een emmer water bestrijdt. Of de boer die probeert een stier te melken. Of een dominee die geen kind wil dopen zonder dat het zwembandjes draagt en die zelf naast de doopvont verschijnt met snorkel en waterbril. Kennis van zaken is belangrijk.

Maar het papiertje kan ook te veel zeggen. Een echte tijger worden. Dat gebeurt als we het onderscheid niet weten te maken tussen kennen en kunnen. Voor heel wat Nederlanders is dat onderscheid moeilijk te maken, net zoals het onderscheid tussen liggen en leggen. Voor zover die moeilijkheid beperkt blijft tot de spreektaal is het allemaal nog niet zo erg. Het wordt pas erg als het in de praktijk niet gezien wordt. Ik neem als voorbeeld het onderwijs. Er zijn gelukkig heel wat docenten die hun kennis goed op orde hebben en die hun kennis ook kunnen overdragen. Zij beheersen hun vak. Problematischer is het met docenten die wel kennis van zaken hebben, maar het vak niet beheersen. Docenten in die categorie zijn er ook genoeg. Daarnaast zijn er docenten die geen docent zijn. Dat zijn degenen die de kennis hebben en het werk vakmatig beheersen, maar toch geen docent zijn, omdat ze ‘het papiertje’ niet hebben. Die worden vanwege het ‘papiertje’, dat er in dit geval dus niet is, weggepromoveerd of -gedegradeerd. In relatie tot de laatste twee categorieën wordt het papiertje de tijger met een schadelijk effect. Want helaas is dit niet hypothetisch. Het gebeurt op alle scholen en de leerlingen zijn er de dupe van. De onderwijsinspectie versterkt deze papieren tijger nog meer, want die voeren alleen maar de protocollen uit, waarin onder andere staat dat alleen bevoegd personeel les mag geven.

En dat brengt mij op een tweede soort ‘papieren tijger’ die schade toebrengt. Protocollen. Deze zijn er omdat we bang zijn dat dingen uit de hand gaan lopen. Ze zijn er omdat we grip willen hebben op wat er gebeurt. De gezondheidszorg is daar een sprekend voorbeeld van. Er gebeuren goede dingen omdat er protocollen zijn. Maar er gaan ook veel dingen onherroepelijk (en dat is in de gezondheidszorg een dodelijk woord) fout, omdat iemand niet buiten het protocol om mag denken en handelen.

Diploma’s en protocollen, ze zijn nauw met elkaar verbonden. Deze papieren ordenen de werkelijkheid. Protocollen kun je leren en vervolgens toepassen. Dat is goed. Teveel nadruk daarop maakt ze tot papieren tijgers die schade toe brengen. Het haalt namelijk teveel de creativiteit uit de mens. Het haalt te veel het learning by doing eruit. Kunnen komt niet alleen voort uit wat je in de boeken leert. Kunnen komt ook op uit de gaven die een mens heeft. Kunnen komt ook op uit vallen en opstaan. Uit trial en error. Uit de dynamiek van het leven. Kunnen is schatplichtig aan het kennen, zoals kennen schatplichtig is aan het kunnen.

Dat brengt mij tenslotte bij een derde papieren tijger. De bijbel. Er zijn mensen die de bijbel graag als een papieren tijger gebruiken. Met opmerkingen als: van kaft tot kaft waar en geen tittel of jota mag eraan ontnomen of aan toegevoegd worden, slaan we de goegemeente om de oren. En als een heilig vertoornde Mozes worden de tien geboden gehanteerd en toegepast als het protocol voor God-vrezend leven. Echter, als we zo met de bijbel omgaan dan vervlakt het leven. Halen we alle creativiteit eruit. Als we de bijbel zo verabsoluteren tot Gods Woord gaat de dynamiek eruit. Dan gaat de geest/ Geest eruit. Er staat immers genoeg in de bijbel wat Gods woord helemaal niet is (e.g. 2Sam.11,1-26). En wat waar is in Gods Woord zit niet ingebonden tussen twee kaften, maar in hoe wij in gesprek met Gods Woord een weg van leven kunnen gaan. Een weg in relatie met God, onze naaste en onszelf.

De bijbel is een zeer behulpzaam boek. We kunnen veel uit de bijbel leren. We kunnen wat we er uit leren als een protocol toepassen. Maar met kennis en het protocolleren van kennis komen we er niet. Sterker nog, Paulus zegt dat kennis een door de tijd beperkt fenomeen is. Kennis gaat verloren. Wat blijft is de liefde (1Kor.13,8). De liefde is het kunnen, het vermogen van het geloof. De liefde behoedt de bijbel ervoor een papieren tijger te worden en geeft het Woord licht en leven dat met ons in gesprek wil zijn. Dat vrijheid biedt om ons leven in relatie te leven met de creativiteit die daar bij hoort. Dat mag zijn inspirerende, dynamische en leefbare weerslag hebben op al het dagdagelijkse leven. En de papieren tijgers doden.

computable-papieren-tijger