Van Veertig naar Vijftig

Van Veertig naar Vijftig. Dat is van de Mem (מ) naar de Nun (נ). Mem en Nun zijn letters uit het Hebreeuwse alfabet. Nu kun je in het jodendom niet zomaar, achteloos, een letter noemen. Elke letter heeft haar eigen getalswaarde en haar eigen verhaal. De getalswaarde van de Mem (onze ‘m’) is veertig. Het verhaal achter de Mem is wachttijd. Het is wachten op de vervulling van Gods beloften. In de leerstof van Hebreeuwse letters van Studiehuis Reshiet staat: ‘Wachten is het moeilijkste wat er is (…). Om niet de moed te verliezen moet de wachttijd worden geordend, ‘besneden’: wie de tijd niet ‘besnijdt’, wie geen getijden  (= ‘afgesneden’ stukjes tijd) in acht neemt, wordt doelloos op den duur, en verliest met de herinnering van het verleden ook de hoop op de toekomst.’ 

De Veertigdagentijd is ‘besneden’ tijd. Een tijd die met de dagen van de Stille Week intensiveert. Een ‘afgesneden’ tijd die met Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag binnen de Veertigdagentijd aparte stukjes ‘afgesneden’ tijd kent. Tijd van wachten. Tijd van inkeer. Tijd van de grote daden van God gedenken. De Mem wijst ook op water. Voor de jood: het wijkende water van de Rietzee, water uit de rots in de woestijn; het wijkende water van de Jordaan, water van reiniging. Voor de christen: water van de doop, van ondergaan en opstaan, van geboorte en wedergeboorte.

De getalswaarde van de Nun (onze ’n’) is vijftig. Het verhaal achter de Nun is bevrijding. Na veertig komt vijftig. Na het wachten op Gods beloften komt de vervulling van Zijn beloften. Pasen, bevrijding, opstanding! Een nieuwe tijd begint. Deze begint opnieuw met een stukje ‘afgesneden’ tijd. Vijftig dagen. Van Pasen naar Pinksteren. Het symbool voor bevrijding is betekenis van de letter Nun. In het Hebreeuws betekent Nun ‘vis’. Vijftig dagen zijn de dagen van de vis. Deze Nun wordt vooral voor de eerste christenen onder de vervolging het teken, het symbool van een vis, in het Grieks ichtus. De letters van dat woord verwijzen naar Jezus Christus. Iesous Xristos Theoe Uios Soter – Jezus Christus, Gods Zoon, de Redder. 

Van Mem naar Nun. Dat is van Veertigdagentijd naar Vijftigdagentijd. Van wachten op redding, naar leven in vrijheid. Want nu de Heer is opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan. De Vijftigdagentijd wordt opnieuw een tijd van wachten. Maar nu in een nieuwe tijd. In een tijd van vrijheid. Op weg naar de voltooiing van Gods belofte. Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft (Joël 3: 1).

Advertenties

En voorproefje van het Koninkrijk van God

Als iemand mij over 12 jaar zou vragen: “Wat deed je op 12 februari 2018?”, dan zeg ik: “Toen heb ik gehuild.” Nu huil ik wel eens vaker, maar niet zo heel vaak om het geluk van anderen. Maar 12 februari was zo’n dag dat ik geraakt werd door het geluk van een ander. Door het geluk van Ireen Wüst. Ik geef toe, al vanaf dag één dat zij op het ijs verscheen ben ik fan van deze stoere streekgenoot die zoveel wint. Nu won zij voor de vijfde keer een gouden medaille bij haar vierde Olympische Winterspelen. En zij liet haar tranen, na een immens spannende 15 minuten waarin allerlei toppers haar nog van de eerste plaats konden rijden, de vrije loop. Want het lukte niemand om haar toptijd te verbeteren.

Ze zat op het middenterrein. Gehurkt. De vingers gekruist. Keek niet op en leek in diep gebed verzonken te zijn. Pas de laatste honderd meter van de laatste tegenstanders volgde ze met bange blikken. Met lispelende lippen, als Hanna bij Eli in de tempel, prevelend bij elke schaatsslag: “Het zal toch niet…, het zal toch niet…?” En het zou niet. Ireen won en daarmee haar vijfde olympische gouden medaille. Haast te mooi om waar te zijn. De cirkel was rond, zei ze. Precies 12 jaar na haar eerste gouden medaille. Ze sprong in de armen van haar trainer, rende naar haar familie – die haar altijd en overal steunt – stak de armen in de lucht, zeeg op haar knieën op het stootkussen…, en toen was er de koning. Die haar omarmde, beklopte en haar tranen droogde met zijn koninklijke jas toen hij haar tegen zijn vaderlijke borst drukte. Die zich niet te groot voelde om tussen het ‘gewone volk’ op zijn beurt te wachten om haar te feliciteren. Het had allemaal iets religieus. Het waren sacrale seconden die zij en wij met haar beleefden op 12 februari 2018. Schaatsen uit, schoenen uit, muts af, de armen geheven. Even stonden we met elkaar op heilige grond.

wust

Misschien huilde ik ook wel daarom. Om die religieuze reuring die zo eigen is aan het werk van de Geest. De Geest van God. Of mag je dat zo niet zeggen? Is dat teveel inlegkunde en te weinig uitlegkunde? Ik weet het niet, maar ik proefde iets van het Koninkrijk van God. Zoals professor van Ruler zei als hij aan zijn pijp lurkte of genoot van het voetbal op de tribune bij FC Utrecht. Nee, eigenlijk weet ik het wel. In deze momenten van grote schoonheid, van kunst, van overgave, van ‘Begeisterung’, is de Geest aan het werk en proeven we inderdaad iets van het Koninkrijk van God. Over de Geest van God zeggen we niet gauw teveel, al komt Hij/ Zij er bij ons vaak bekaaid van af. Alsof de Geest een stiefkind is van de heilige Drie-eenheid. De Geest is veel meer en overvloediger aan het werk dan in de kerk, dan in wonderen, dan in een Bijbellezing of een preek. De hele schepping is doortrokken van de heilige Geest. Van het rafelige roodbaaien hemd van Jopie Huisman tot Christos Redentor die hoog verheven zijn armen beschermend legt om de ten hemel schreiende favela’s van Rio. De Geest van God inspireert door het grote en het kleine. Van een kind dat met wat potloodkrassen trots zijn eerste zelfportret presenteert tot de schaatser die na jaren training voor de zoveelste keer het beste presteert.

De Geest van God spreekt. In kindergebrabbel (zegt Psalm 8) en in de wijze woorden van de ouderdom. Onlangs sprak ik iemand die 100 jaar was geworden. Ik vroeg haar hoe ze terugkeek op haar veelbewogen leven. Had ze achteraf spijt van dingen? Had ze dingen anders moeten doen? Ze dacht even na, overdacht in een tijd sneller dan Wüst de 1500 meter schaatste haar honderdjarige leven en zei: “Nee, ik heb geleefd. Ik heb het leven geleefd. Zoals het kwam.” Haar eenvoud raakte mij. Een sacraal moment. Een heilige plaats. Ik kon het niet helpen, maar ook toen moest ik huilen. Huilen van ontroering. Want ik zag het voor me. Zij bij de Koning. Die zich niet te groot voelt om onder het ‘gewone volk’ te komen. Die als ze naar Hem opziet en zegt “Ik heb geleefd”, haar omarmt, bemoedigend beklopt en haar tranen droogt met zijn ‘koninklijke jas’ als Hij haar tegen Zijn vaderlijke borst drukt. Een prachtig visioen. Te mooi om waar te zijn? Nee, ‘gewoon’ de Geest van God aan het werk. Die ons altijd en overal iets aanreikt om te laten proeven. Een voor-proefje van het Koninkrijk van God.

 

Het Kerstverhaal

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van Rina. ‘Licht…. Het is er in talloze varianten…. Licht…letterlijk en figuurlijk….  Licht… mogelijkheid om te zien en gezien te worden als mens met nààm! Laat ik je nu vertellen over mijn huisgenoten. Ik leef samen met Job, een Duitse herder en hulphond met pensioen. Ik leef samen met Mozes, een Rhodesian en hulphond. Ik leef samen met Prediker, een Rhodesian en leerling-hulphond.

Job… de bijbel vertelt een verhaal: Job wordt uitgedaagd door de Schepper…of? In het samen leven met Job blijf ik mij bewust van mijn keuze om de band met de Schepper te blijven zoeken en te onderhouden. Job, lijden léven. Mozes.. de bijbel vertelt een verhaal: Mozes doet zijn uiterste best en op het moment supreme het beloofde land niet in mogen… of?  In het samenleven met Mozes voed ik mijn hoop dat dood slechts ‘dood’ is. Mozes, leren léven. Prediker.. de bijbel vertelt een verhaal: zoveel kennis van en over de Schepper en tegelijkertijd diens ‘verborgenheid.’ In het samenleven met Prediker lach ik, heb ik respect voor haar kennis en haar ondoorgrondelijkheid. Prediker, lééf het moNUment.

Job, Mozes en Prediker zijn kostbare leefgenoten. Ik ontvang licht van hen en wens daardoor licht door te geven.’

Job_Mozes_Prediker_dec_2017.jpg

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van Linda en Pierre, mijn goede vrienden. ‘Zullen we je vertellen over Pascalle? Ja, laten we dat doen. Pascalle. Onze dochter. Een prachtige meid. Een vrolijke meid. Een dochter met oneindig veel liefde voor ons. Als we ’s avonds naar bed gaan, klopt ze op de muur. Dan horen we haar roepen: “Ik houd van jullie, zo groot als de hemel is.” Pascalle, haar naam heeft een diepe betekenis. Geboren op Pasen. Dat is niet helemaal waar. Pascalle is geboren rond carnaval. De precieze dag weten we niet meer. Was het aswoensdag? Of de eerste zondag van de Veertigdagentijd? Ja, deze laatste was het. Zondag invocabit. De zondag van God erbij roepen. Alsof het zo voorbestemd was.

We hebben God erbij geroepen. Toen ze met al haar kracht vocht tegen het onvermijdelijke. We hebben God erbij geroepen. Toen ze in een witte stilte lag. Haar hoofd in doeken gewikkeld. Bij een kwijnend regelmatig terugkerend piepje. We hebben God erbij geroepen. Toen ze glijdend tussen onze handen door verdween in een diepe afgrond. Maar soms, zomaar, bij het stoffen van haar kamer, voelen we haar hand. Horen we haar stem: “Ik houd van jullie, zo groot als de hemel is.” Pascalle overleed vlak voor haar geboortedag. Maar uit de grote hemel klinkt: “Geboren op Pasen. Voorgoed.”’

christmas_PNG17214.png
Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van Marco. ‘Zal ik je vertellen van mijn verlamming? Dat kan ik doen. Ik weet er zo ongeveer alles van. Al ongeveer vijfendertig jaar ben ik met haar vertrouwd. Tenminste, dat denk ik. Ik houd de tijd niet zo bij. Zal ik vertellen dat de verlamming mij zo beperkt dat ik altijd handen aan mijn lijf toe moet laten? Vreemde handen. Handen die ik soms niet wil. Vertrouwde handen. Handen die ik soms mis. Maar wie begrijpt dat?

Nee, laat ik wat meer vertellen over die vertrouwde handen. Die zijn er zo veel. De kordate en sterke handen van mijn vader. Ze tillen mij op. Soms boven mijzelf uit. De zachte zorgzame handen van mijn moeder. Als ik mij bij iemand thuis voel dan is het wel bij haar. En laat ik niet de handen van mijn broers, mijn zus en mijn schoonzus vergeten. Ze laten mij merken hoeveel ze van me houden. M’n broers wat onhandig, m’n zus zo bijdehand, m’n schoonzus met zachte hand. Handen zijn het die ik niet missen kan. En dan heb ik het niet eens over zoveel andere vertrouwde handen. Van vrienden. Van huisgenoten. Van de chauffeur die mij vaak ophaalt en weer thuisbrengt en mij met vaste hand door het drukke verkeer loodst. Ja, dat wil ik vertellen, dat ik op handen word gedragen. Ja, zo zeg ik het goed.’

christmas_ornaments.gif

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van een jonge vrouw. Zonder naam. Eén van de velen. ‘Veertien jaar was ik. Ik had al verkering. Ik ging er helemaal voor. Ik had de prins van mijn dromen. Maar hij werd de prins van mijn demonen. Vond hij mij niet mooi? Hij keek wel vaak en graag naar andere meisjes. Vond hij mij te dik? Hij wees wel vaak naar meisjes die in zijn ogen superslank waren. Ik at bijna niet meer. En soms veel te veel. Al moest dat er wel weer zo snel mogelijk uit. Het ergste gebeurde. Langzaam ging ik kapot. Samen met mijn relatie.

Ik zocht liefde bij een ander. Maar vond die niet. Ik zocht liefde bij weer een ander. En raakte zwanger. Van de eerste keer. ik wist me geen raad. Mijn tranen vloeiden. Rivieren vol verdriet en spijt. Toch, tegen alles in, mijn kind wilde ik niet kwijt. Hij werd geboren en had het Syndroom van Down. Ik dacht: ‘Dit is mijn straf.’ Maar de hemel lachte en langzaam leerde ik meelachen. Mijn zoon werd mijn zon. En ik genas van mijn zieke zelfbeeld.’

christmas-ornament-png-download-christmas-ornament-png-images-transparent-gallery-advertisement-1115.png

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van miljoenen mensen. Het is het verhaal van u en van jou en van mij. Het is het verhaal van gebroken levens. Van mensen op zoek naar heelheid, vrede en gerechtigheid. Van mensen die geloven en hopen en liefhebben tegen ontkenning, tegen wanhoop en tegen liefdeloosheid in.

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van een mens. Geboren in stikdonkere nacht. Vele namen droeg Hij. Hij werd genoemd: wonderbare raadsman, goddelijke held, eeuwige Vader, Vredevorst. Hij noemde zichzelf, Zoon des Mensen, Licht der wereld, Ware wijnstok, Goede herder. Hij was het levende brood van God uit de hemel neergedaald. Op Hem en om Hem hopen wij, in Hem en door geloven wij. Met Hem en uit Hem hebben we lief. Want Hij wordt ook genoemd, Heiland, Heelmaker van ons gebroken bestaan.

Dit is het Kerstverhaal.


	

De mens – bevragenswaardig

Zondag van de Voleinding. In vele kerken worden tijdens de viering de namen genoemd van gemeenteleden die in het afgelopen kerkelijk jaar overleden zijn. Mensen zijn niet zomaar mensen. Mensen hebben namen. De Joods-Franse filosoof Marc-Alain Ouaknin zegt in zijn lezenswaardige boekje ‘God en de kunst van het vissen’ (Lannoo 2016) dat ‘de mens ontplooiing [is] tot, streven, spanning en verlangen. Altijd verder dan de identiteit. De mens vormt zich en wordt in de tijd.’ (blz.160) En die wordende mens heeft een naam, een ‘sjem’ dat in het Hebreeuws verwant is aan ‘sjam’; daarginds. Een prachtige samenhang. De mens met een naam is aangelegd op daarginds, op toekomst. In die zin wordt de mens in de tijd. ‘De mens bestaat in een onophoudelijk anders worden.’ (blz.160) Dat is zelfs zijn verantwoordelijkheid.

In de Hebreeuwse taal  staan letters ook voor cijfers. Zo is de getalswaarde van Adam (mens) 45. Dat getal 45 wordt als mah geschreven. Een woord dat ‘wat?’ betekent. Ouaknin legt uit dat de mens een vraag is. In Psalm 8 en in Psalm 144 komen we de vraag tegen: ‘Wat is de mens?’ De Bijbel geeft daar verschillende antwoorden op. Ouaknin zegt: ‘De mens is de wachter van het vragen. Door het ‘waarom’ te bewaren laat hij het woord dat hem vormt opleven.’ (blz. 161) Dat vind ik een zeer diepzinnig antwoord. Het vraagt niet om uitleg, het vraagt om overleg. Het antwoord nodigt uit tot overdenking en doordenking. De mens met een naam genoemd is wachter van het vragen.

Kerstfeest 2017 is aanstaande. We vieren de geboorte van de Messias. We noemen zijn naam: Jezus, God redt! Maar voorbij het kerstfeest hoor ik een doordringende vraag. Van deze Jezus die zichzelf noemde, de Mensenzoon. ‘Mijn God, waarom…?’ Laat die vraag ons niet juist de Mens zien die Hij geworden is in de tijd? (…) [O]ntplooiing tot, streven, spanning en verlangen. Altijd verder dan de identiteit…, van Adam naar God redt?

—???—

Voor de viering op Zondag van de Voleinding schreef ik een gedicht. Geïnspireerd door Marc-Alain Ouaknin die verder over de mens als wachter van het vragen zegt: ‘De mens, adam/mah, is openheid naar de toekomst.’ (blz. 161) Zou ik het ook zo mogen zeggen: Door de Adam van het ‘Waarom?’ is er openheid naar de toekomst?

Met bijzondere dank aan Rens Boevé plaats ik de foto van de liturgische schikking. Hij bracht het noemen van de namen prachtig in beeld. Foto en gedicht draag ik op aan allen die ons ontvallen zijn en die we hardop en/ of in de stilte van ons hart telkens noemen en aan allen die met het gemis van geliefden leven. We noemen hun namen. Niet omdat wij mensen beklagenswaardig zijn, maar omdat wij mensen -naar Psalm 8- juist bevragenswaardig zijn! In Jezus naam.

In Zijn naam

Hij noemde jou bij je naam.
Hij riep jou, mens,
te worden
meer dan je denkt te zijn.

Jouw naam is meer dan zijn
jouw naam is een bron
van mogelijkheden,
van nieuwe vormen
van denken
en handelen
naar jouw vermogen,
om boven jezelf uit
mens te worden.

Je draagt jezelf vooruit,
je draagt je leven –
in die ene Naam genoemd –
op de toekomst aan.

Jouw naam is antwoord op
en echo van Zijn naam.
Naam mag je maken,
naam, In Zijn naam.

In Zijn Naam,
boven alle namen
In Zijn Naam
bron van jouw bestaan.
Als meer dan mogelijkheid,
denken en handelen,
als meer dan jouw vermogen,
is Zijn Naam belofte
dat jij mens wordt in Zijn Naam

Hij schrijft jouw naam
Hij kerft jou, mens,
zorgvuldig
in Zijn hart en handen

Voor altijd word jij, mens,
in Zijn naam genoemd.

(© Johan Duijster 2017)

Schermafbeelding 2017-11-27 om 09.34.37

500

Museum Haarlem houdt een expositie over 500 jaar ziekenzorg in en rond Haarlem. Er is in 500 jaar veel veranderd. Ooit begon het met een gasthuis voor zieken. De zorg ging niet verder dan tweemaal daags een maaltijd. Dat klinkt logisch als je aan moet sterken. Maar door gebrek aan hygiëne was het gasthuis meer een sterfhuis. Wie in het gasthuis werd opgenomen liep gerede kans dat met de dood te moeten bekopen. Vandaag is het andersom. De hele zorg is op herstel gericht. Onderzoek, techniek en hygiëne zijn onmisbare instrumenten geworden van de gezondheidszorg.

luther-playmobilDe Protestantse Kerk Nederland (o.a.) besteedt dit jaar ook aandacht aan 500 jaar. In haar geval, aan 500 jaar protestantisme. Of liever, 500 jaar reformatie. Er is in 500 jaar veel veranderd. Ooit begon het met aandacht voor de ‘gewone gelovige’. Met Gods Woord in gewone taal. Met geloven en belijden zonder Kerk-Latijn en tierlantijn. De reformatie ging om een levende kerk voor iedereen. Met haar instrumentarium van de Bijbel in gewone taal en de vijf sola’s (zie https://isgeschiedenis.nl/node/19115)  ging het de reformatie om herstel van de kerk van Jezus Christus.

Vandaag lijkt het erop dat de reformatie de tegenovergestelde beweging van de gezondheidszorg heeft ingezet. Wie vandaag in die kerk rondkijkt, meent vooral een kerk te zien die op een sterfhuis lijkt, waarvan het orgel, de dorpelwachter, de dominee met toga die oproept tot bekering en de jong-gelovige tot museumstukken gepromoveerd zijn.

Dat laatste neem ik niet graag voor mijn rekening. Dat is voor de zwart-witkijkers onder ons en voor degenen die tegen kerk, geloof en God zijn. Want zo is het niet. Wat 500 jaar reformatie gebracht heeft is een kerk die veel beklemmende ballast -zij het met moeite- van zich heeft afgeschud en waar steeds meer aandacht is gekomen voor het allerbelangrijkste principe dat de basis is geweest en nog altijd is van het schepsel ‘mens’. Namelijk, dat deze vrij is. Vrij om te kiezen. Vrij om te geloven, of niet te geloven. Vrij om te kiezen, voor of tegen God. Die vrijheid, dat moet er wel bij gezegd worden, is pas vrijheid als ze de liefde leert. Zonder liefde zouden we geen weet hebben van wat vrijheid is. En zonder vrijheid zijn we…, inderdaad, dood! Zo dood als poppen aan een touwtje.

Maar Godzijdank (!), verlost van Kerk-Latijn en tierlantijn verkondigt de kerk vandaag nog altijd de liefde van God door Jezus Christus. Levendiger dan Hij is, krijgen we de kerk niet. En het is Zijn liefdevolle zorg die geheel op het herstel van Gods schepping is gericht. Niet 500 maar duizend, duizendmaal o HEER, zij U daarvoor dank en eer!

oe-isjke pjaa

Je hebt liefhebbers op allerlei gebied. Van francofielen tot (pedo)filatelisten en van epicuristen tot amforafielen. Toelichting: een francofiel houdt van Frankrijk en onder die verzamelnaam schaar ik liefhebbers van reizen. Een (pedo)filatelist verzamelt (kinder)postzegels. Onder hen schaar ik allerlei soorten verzamelaars. Een epicurist houdt van lekker eten. En een amforafiel houdt van drank. Die laatste term heb ik zelf bedacht. Om het verschil aan te duiden met alcoholisten. Alcoholisten maakt het niet uit wat zij drinken, zolang er maar alcohol in zit. Amforafielen houden van wat zij drinken. Tot die laatste groep behoor ik. Om het preciezer te zeggen, ik houd van oe-isjke pjaa (lett. levenswater), afhankelijk van de streek in Schotland ook wisjkebèë genoemd.

Aha!’, zegt u? Inderdaad, uit de school van amforafielen ben ik een whiskyliefhebber. ‘Afgestudeerd?’, vraagt u? Nee, ik volg nog steeds de lessen. Met veel genoegen, moet ik zeggen. Ik zit in een klas van twaalf studenten. Dat schijnt u een bijzonder aantal toe, meent u? Ja, dat zou best kunnen. Hoe dan ook, voor elke les, we hebben ongeveer vier lessen per jaar, krijgen we een bepaald thema op en daar zoeken we dan een whisky bij. De twaalf leerlingen zijn opgedeeld in zes vaste duo’s. Twee zijn immers beter dan één, gelooft u? Nou ja, het voorkomt drankmisbruik, denk ik. Twaalf soorten op een avond proeven is gewoon teveel van het goede. Daarom koopt de één een fles, de ander zoekt er een geschikt hapje bij.  Dat doen we zo om beurten. Aan het einde van elke les is er een beoordeling. Iedere leerling beoordeelt de verschillende whisky’s op smaak, kleur, geur en combinatie met de hapjes. Het duo met de hoogste score krijgt een bijzondere aantekening.

Naast veel gezelligheid en saamhorigheid en broederschap gaat het om proeven. Het proeven. Smaakt en ziet dat de whisky goed is. Met je neus, met je ogen, met je mond…, zelfs met je oren. Want het is opletten geblazen als je rondom de tafel goedkeurende of afkeurende opmerkingen hoort. Daaruit kun je soms al opmaken welke kant het opgaat. Sommigen houden van zoete, makkelijke, toegankelijke wihisky’s. Sommigen houden van rokerige, medicinale, pittige whisky’s. Sommigen houden van complexere whisky’s waarvan de smaak zich niet 1-2-3 proeven laat. Het is een cliché, maar smaken verschillen. Ondanks die verschillen komen we toch elke avond weer tot een top-3. En ook al heeft jouw whisky niet gewonnen, iedereen gaat vrolijk en opgetogen naar huis en kijkt weer uit naar de volgende les. Waarbij we elkaar beloven onze kennis op peil te houden.

monnik

Toen ik in mijn studeerkamer met dat laatste bezig was en het gouden vocht bedachtzaam ronddraaide in het glas, dacht ik: Ja, je hebt liefhebbers op allerlei gebied. Er zijn bijvoorbeeld ook theofielen. U kent alleen een Theofiel uit Suske en Wiske, zegt u? Dat kan. Want meestal noemen deze liefhebbers zich niet zo. Met Lucas, de schrijver van het gelijknamige evangelie en van de Handelingen der Apostelen, komen we ze op het spoor. Hij heeft zijn werk geadresseerd aan Theofilus, een verzamelnaam voor mensen die ‘geloven in God’ als liefhebberij hebben. Ze komen regelmatig bij elkaar. Want ze zijn nog lang niet afgestudeerd. Ze komen bij elkaar om te proeven. Om te proeven van het oe-isjke pjaa. Ja, daar hoort u van op hé? Maar zo is het. Zij komen om te proeven van het levenswater. In de taal van hun geloof heet het Levend Water.

Boven veel gemeenschapszin en saamhorigheid en broederschap gaat het hun om proeven. Proeven van het Levende Water. Smaakt en ziet dat het Levende Water goed is. Met alle zintuigen. Dat Levende Water noemen ze Jezus Christus. Of Levend Woord van God. Nu heb je in zo’n groep voorkeuren. Want, daar heb je ‘m weer, smaken verschillen. Een aantal van hen houdt van halleluja, hoofd omhoog en hart naar boven. Een andere groep houdt van Jezus voor en na en in de gloria. Sommigen houden meer van het mystieke, van het zoeken en het vragen. Toch, hoe groot de verschillen ook mogen zijn, hun top-3 ziet er altijd hetzelfde uit. Vader, Zoon en heilige Geest. Ze hebben alleen moeite met de volgorde. Kijk, bij whisky is het verschil duidelijk. Je hebt single malts, blended malts en gewone blends. Bij het Levend Water is er geen duidelijk onderscheid. Vader, Zoon en heilige Geest zijn ‘onverdeeld in zijnden en toch van elkaar gescheiden’, zo zei ooit een groot kenner.

‘Het gaat m’n pet te boven’, zegt u? Dat kan ik me voorstellen. Daar gaat een hele geschiedenis achter schuil. Daar komen ze niet op uitgestudeerd. Soms raken over de verschillen in smaak de gemoederen verhit. Maar dan heffen zij het glas en doen er wat te eten bij. Ondanks hun verschillen blijven ze eensgezind, gaan ze vrolijk en opgetogen naar huis en kijken weer uit naar de volgende les. Met daarbij deze aantekening…

…Ik kijk naar mijn glas. Ik ruik nog eens. Met een zucht van verlangen neem ik een slokje en denk: dat het zo toch zou mogen zijn…, in de kerk.  😇

Sa(i)nté! 😋

 

 

Papieren Tijgers

Papieren tijgers. Dat zijn zaken die er dreigend en gevaarlijk uit zien, maar geen werkelijk (schadelijk) effect kunnen hebben, zegt meneer Wiki tegen mij. Helaas is dat niet waar. Onze samenleving is volgestopt met papieren tijgers. Maar dan wel met papieren tijgers die wel degelijk schadelijk effect hebben. Papieren tijgers die de zaken stevig in de klauwen hebben. Neem bijvoorbeeld de papieren tijger die we netjes ‘diploma’ noemen. Zonder dat ‘papiertje’ kom je niet ver. Daar is veel voor te zeggen. Want zonder een bepaalde mate van kennis van zaken loop je zekere risico’s. Neem een brandweerman die de vlam in de pan met een emmer water bestrijdt. Of de boer die probeert een stier te melken. Of een dominee die geen kind wil dopen zonder dat het zwembandjes draagt en die zelf naast de doopvont verschijnt met snorkel en waterbril. Kennis van zaken is belangrijk.

Maar het papiertje kan ook te veel zeggen. Een echte tijger worden. Dat gebeurt als we het onderscheid niet weten te maken tussen kennen en kunnen. Voor heel wat Nederlanders is dat onderscheid moeilijk te maken, net zoals het onderscheid tussen liggen en leggen. Voor zover die moeilijkheid beperkt blijft tot de spreektaal is het allemaal nog niet zo erg. Het wordt pas erg als het in de praktijk niet gezien wordt. Ik neem als voorbeeld het onderwijs. Er zijn gelukkig heel wat docenten die hun kennis goed op orde hebben en die hun kennis ook kunnen overdragen. Zij beheersen hun vak. Problematischer is het met docenten die wel kennis van zaken hebben, maar het vak niet beheersen. Docenten in die categorie zijn er ook genoeg. Daarnaast zijn er docenten die geen docent zijn. Dat zijn degenen die de kennis hebben en het werk vakmatig beheersen, maar toch geen docent zijn, omdat ze ‘het papiertje’ niet hebben. Die worden vanwege het ‘papiertje’, dat er in dit geval dus niet is, weggepromoveerd of -gedegradeerd. In relatie tot de laatste twee categorieën wordt het papiertje de tijger met een schadelijk effect. Want helaas is dit niet hypothetisch. Het gebeurt op alle scholen en de leerlingen zijn er de dupe van. De onderwijsinspectie versterkt deze papieren tijger nog meer, want die voeren alleen maar de protocollen uit, waarin onder andere staat dat alleen bevoegd personeel les mag geven.

En dat brengt mij op een tweede soort ‘papieren tijger’ die schade toebrengt. Protocollen. Deze zijn er omdat we bang zijn dat dingen uit de hand gaan lopen. Ze zijn er omdat we grip willen hebben op wat er gebeurt. De gezondheidszorg is daar een sprekend voorbeeld van. Er gebeuren goede dingen omdat er protocollen zijn. Maar er gaan ook veel dingen onherroepelijk (en dat is in de gezondheidszorg een dodelijk woord) fout, omdat iemand niet buiten het protocol om mag denken en handelen.

Diploma’s en protocollen, ze zijn nauw met elkaar verbonden. Deze papieren ordenen de werkelijkheid. Protocollen kun je leren en vervolgens toepassen. Dat is goed. Teveel nadruk daarop maakt ze tot papieren tijgers die schade toe brengen. Het haalt namelijk teveel de creativiteit uit de mens. Het haalt te veel het learning by doing eruit. Kunnen komt niet alleen voort uit wat je in de boeken leert. Kunnen komt ook op uit de gaven die een mens heeft. Kunnen komt ook op uit vallen en opstaan. Uit trial en error. Uit de dynamiek van het leven. Kunnen is schatplichtig aan het kennen, zoals kennen schatplichtig is aan het kunnen.

Dat brengt mij tenslotte bij een derde papieren tijger. De bijbel. Er zijn mensen die de bijbel graag als een papieren tijger gebruiken. Met opmerkingen als: van kaft tot kaft waar en geen tittel of jota mag eraan ontnomen of aan toegevoegd worden, slaan we de goegemeente om de oren. En als een heilig vertoornde Mozes worden de tien geboden gehanteerd en toegepast als het protocol voor God-vrezend leven. Echter, als we zo met de bijbel omgaan dan vervlakt het leven. Halen we alle creativiteit eruit. Als we de bijbel zo verabsoluteren tot Gods Woord gaat de dynamiek eruit. Dan gaat de geest/ Geest eruit. Er staat immers genoeg in de bijbel wat Gods woord helemaal niet is (e.g. 2Sam.11,1-26). En wat waar is in Gods Woord zit niet ingebonden tussen twee kaften, maar in hoe wij in gesprek met Gods Woord een weg van leven kunnen gaan. Een weg in relatie met God, onze naaste en onszelf.

De bijbel is een zeer behulpzaam boek. We kunnen veel uit de bijbel leren. We kunnen wat we er uit leren als een protocol toepassen. Maar met kennis en het protocolleren van kennis komen we er niet. Sterker nog, Paulus zegt dat kennis een door de tijd beperkt fenomeen is. Kennis gaat verloren. Wat blijft is de liefde (1Kor.13,8). De liefde is het kunnen, het vermogen van het geloof. De liefde behoedt de bijbel ervoor een papieren tijger te worden en geeft het Woord licht en leven dat met ons in gesprek wil zijn. Dat vrijheid biedt om ons leven in relatie te leven met de creativiteit die daar bij hoort. Dat mag zijn inspirerende, dynamische en leefbare weerslag hebben op al het dagdagelijkse leven. En de papieren tijgers doden.

computable-papieren-tijger

Een nalatenschap van het christendom

Het is aan me voorbijgegaan. Ik moet het eerlijk bekennen. Toen twee gemeenteleden het mij vertelden, trok ik het nog ernstig in twijfel. Want het kon niet waar zijn. Het kon toch niet zo zijn dat het overlijden van Harry Kuitert geheel aan mij voorbij is gegaan? Helaas het is zo. Bij het zoeken naar een column van Suurmond in de Trouw, kwam ik een artikel tegen naar aanleiding van zíjn voorbijgaan. De theoloog en ethicus dr. Harminus Martinus Kuitert is niet meer. En dat doet mij oprecht verdriet. Ik voel iets van verbijstering en verslagenheid. Verslagenheid, omdat deze grote theoloog overleden is. Verbijstering, omdat zijn overlijden haast ongemerkt aan mij voorbij is gegaan. Wat rest is zijn nalatenschap. Een nalatenschap van het christendom. Ja, zo zou ik het, naar zijn eigen woorden, willen noemen. Want hij heeft mij, en naar ik hoop velen met mij, geleerd te geloven.

Wie zijn theologisch oeuvre van horen zeggen kent, zal vreemd opkijken. Harry Kuitert? Hij is toch de man die weinig tot niets heel liet van Christus en het christendom? Hij is toch de theoloog wiens woord over God, en van ieder ander die poogt te spreken over God, naar eigen zeggen hooguit en vooral niet meer dan een woord van beneden is? Hij is toch de kerksloper die elke steen van de tweeduizend jaar oude kerk in zijn handen heeft gewogen en te zwaar heeft bevonden en dus de kerk en haar fundament afbrak. Ja! Het mag vreemd klinken, maar ja, hij is het die mij leerde geloven.

Ik ben van het soort ‘late roeping’. Van huis uit gereformeerde bond. Predikant geworden in een gereformeerde kerk van confessionele signatuur binnen de PKN. Vandaag predikant in een hervormde gemeente die zich rekent tot de midden-orthodoxie. En, ik geef het toe, ik ben, zij het met veel pijn en moeite, lid van het Evangelisch Werkverband. Noem mij een zwalker. Noem mij een opgewaaid blad dat met alle winden meewaait. Noem mij voor mijn part een Kuitertiaan (al vind ik dan Kuitertijn – naar de zojuist door mij opgerichte orde der Kuitertijnen – mooier). Zelf noem ik mij al sinds ik op een formulier ‘kerkelijke gezindte’ in moest vullen ‘christen’. Ik heb gepreekt in de christelijk gereformeerde kerk. Ik ben voorgegaan in een doopsgezinde gemeente. Tijdens vakanties bezoek ik zo vaak als het lukt de plaatselijke kerk, meestal een Roomse Mis. En dat allemaal dankzij Harry Kuitert. Hij heeft mij geleerd mijn geloof voortdurend kritisch te betwijfelen. Hij heeft mij tot nadenken gezet over wie Jezus is, toen hij zorgvuldig en met toewijding laag voor laag van het twintig eeuwen oude gebladderde Christusbeeld verwijderde. Hij ging mij voor in het afbreken van  kerkmuren.

Vaak heb ik gehoord en ook zelf beaamd dat Harry Kuitert niets zou overhouden. Regelmatig als ik samen met een collega jogde, of een kop koffie dronk, bespraken we kort zijn laatst verschenen boek en preludeerden al op zijn volgende boek met de woorden: “Je weet al waar het over zal gaan. Hij gaat zover totdat hij niets meer overhoudt van het van oudsher en met de kerk van alle tijden en plaatsen beleden algemeen en onbetwijfeld christelijk geloof.” En inderdaad, we kregen gelijk. Zijn laatste boek met de veelzeggende titel Kerk als constructiefout was de laatste steen die hij zorgvuldig en toch ook met enig hartzeer verwijderde. Want hij bleef volhouden lid te zijn van een kerk die hij zelf tot de laatste steen afbrak.

Maar wie goed leest ontdekt dat hij er iets voor in de plaats geeft. Ik wil het als eerbetoon aan Kuitert zijn nalatenschap van het christendom noemen. We moesten er heel lang op wachten. Na vele boeken, vele bladzijden, vele haarscherpe metaforen, tot dit laatste boek, tot bijna de laatste pagina. Daar pleit hij voor een open, dus niet ommuurde (!), geloofsgemeenschap. En die open geloofsgemeenschap krijgt van hem de zekerheid mee dat zij zich niet druk hoeft te maken over de overlevering. Want de overlevering overleeft het wel! Dus ook zijn afbraaktheologie. Voor mij staat Kuiterts theologie geheel ten dienste van die overlevering. Daarin was hij, tegen wil en dank wellicht, een navolger van Jezus Messias die het tempelplein uitmestte, de tempel afbrak en het voorhangsel tot het allerheiligste deed scheuren toen van Hem geen steen op de andere werd gelaten. Kerkmuren moeten immers om, kerkbanken van dogma’s die toch al nooit echt lekker zaten moeten afgebroken worden en de zware gordijnen voor de prachtig gestileerde kerkramen die de allerheiligste huisjes van de traditie beschermen moeten worden losgescheurd als het om de overlevering gaat. Jezus wist dat en handelde ernaar en Hij vertrouwde erop dat de overlevering het wel zou overleven. En, wat bleek, Hij hoefde er maar drie dagen op te wachten.

Zijn overlijden mag aanvankelijk aan mij voorbij zijn gegaan. Harry Kuitert (11 november 1924 – 8 september 2017) mag voorbij zijn gegaan. Maar ik koester voortaan zijn nalatenschap van het christendom. De overlevering overleeft het, overleeft hem en overleeft ons wel. Want het is alles, behalve kennis.7459474full

Ik wil PINDAKAAS

120520nt_beeldvorming_kln_w714_h714

Van kinderen valt veel te leren. Bijvoorbeeld de wijsheid dat ‘teveel van het goede’ juist niet goed is, moet ons door een kind geleerd zijn.

LES 1: Het was vakantietijd. We stonden op een Franse camping en we aten pannenkoeken. Daar zijn de meeste kinderen dol op. Ook mijn dochter was er dol op. Ze at een paar pannenkoeken en vanuit mijn ooghoek had ik al gezien dat er steeds een beetje meer jam op ging. Toen het mij te gortig werd (en dat is heus niet zo gauw, ik houd ook van een goed belegde pannenkoek) nam ik de jampot in de hand, keek eerst naar het etiket en zei quasi nonchalant: “Dus jij vindt jam lekker hè!” Ze knikte geestdriftig met haar mond nog vol van de vorige pannenkoek. “Dan moet je de rest ook maar opeten”, zei ik en leegde het restant, ongeveer de helft van de pot, op haar volgende pannenkoek. Sinds die tijd, we zijn inmiddels ruim twintig jaar verder, eet zij geen jam meer. Ze heeft teveel van het goede gehad.

LES 2: Eén van mijn kleinzonen, hij heeft het Syndroom van Down, bracht een andere wijsheid onder de aandacht. Hij mag ’s morgens bij het ontbijt altijd kiezen wat hij op brood wil. Dan houden we hem een pak hagelslag voor en een pot pindakaas. Of worst en pindakaas. Of kaas en pindakaas. Soms kiest hij iets anders, maar meestal pindakaas. Op zekere morgen wilde hij echter helemaal niets. Geen hagelslag, geen worst, geen kaas en ook geen pindakaas. De waarheid kwam al gauw aan het licht. De pindakaaspot had een nieuw etiket gekregen. Die kende hij niet, dus die hoefde hij niet. Hij mag dan Down hebben, maar hij laat zich geen knollen voor citroenen verkopen. Toen zijn moeder een eerste stukje brood met overredende kracht en met enige forcerende middelen in zijn mond had gestopt, at hij daarna twee boterhammen met pindakaas.

Het deed mij denken aan het tweede gebod. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel, op de aarde of in het water onder de aarde is (Ex. 20,4). De reclamewereld lijkt daarvoor op goddelijk gezag een uitzondering te hebben ontvangen. Een uitzondering heb je immers nodig om de regel te bevestigen. De reclamewereld is niet zozeer bezig met de inhoud te verkopen, de reclamewereld wil de verpakking zo attractief mogelijk maken. Het maakt de snelle jongens en meiden van de reclame niet uit wat er in de verpakking zit. Als het maar verkoopt. Dus maken ze overvloedig gebruik van beeldvorming. Op basis daarvan maken consumenten hun keuze. Om die reden adoreren ze ‘hun geliefde’ product. Om die reden wil ik niet met een ander mobieltje gezien worden dan met een iPhone. Om die reden rijd ik in een DS 5. Een andere auto kun je niet verwachten bij een dominee.

LES 3: Beeldvorming. Het is allemaal beeldvorming. En we laten ons een rad voor ogen draaien. Ondanks de wijsheid van de Bijbel die ons onder wijzen wil brengen. Van beeldvorming hebben dominees misschien wel het meest last. Van hen wordt gezegd dat ze in een glazen huis leven. Helaas, ik moet dat beeld bevestigen. Al heb ik er een soort kruistocht van gemaakt om dat beeld ondersteboven te schoffelen, het beeld is hardnekkig. Ik wil graag domiNEE zijn. Nee, ik ben niet 24/ 7 met mijn werk bezig. Nee, ik loop niet in het zwart. Nee, als je mij ziet fietsen of lopen in het dorp ben ik niet altijd op weg naar een pastorant. Nee, ik verteer niet alles even goed van wat men op mijn bordje legt. Nee, ik heb niet overal een antwoord op. Nee, ik geloof niet altijd. Nee, ik ben niet altijd leuk, geduldig, minzaam etc. Nee, ik preek niet uit mijn hoofd. Nee, ik kan niet altijd in een uurtje de hele ‘show’ afwerken. Nee, ik draag geen toga. Nee, het gaat niet om de verpakking. Niet om het beeld dat ik probeer te creëren door het af te breken. Nee, moet ik altijd ook tegen mezelf zeggen, het gaat niet om jou. Het staat in grote letters op mijn bureau geschreven. It is God who bestows divine grace, not the preacher! En het Nederlandstalige equivalent ervan staat er naast: Het is de heilige Geest, niet de beheersing van methodes die de boodschap overbrengt.

In een vorige gemeente kwam regelmatig een predikant preken waar de hele goegemeente wel iets tegen had. Vanwege een beeld dat men van hem gecreëerd had. Hij was te oud. Niet altijd meer even scherp en zijn stem had danig te lijden onder de maalsteen van de molen uit Prediker 12,4. Dus kozen velen ervoor om, als hij voorging, elders te winkelen. Of thuis voor de beeldbuis te winkelen.  In de kerk, onder het tanende gehoor, zat een jonge kerel. Kind van het winkelende publiek. Hij zei: “Ze moeten eens niet zo zeuren. Ze kunnen beter luisteren naar wat hij te zeggen heeft. Dat is nog heel wat.” Die preek zal ik nooit vergeten.

Doe mij nu dan maar een boterham met pindakaas. Voordat het mij allemaal te veel wordt.

De dominante dominee en de miezerige mier

Ergens op de biblebelt komen dominees in vergadering bijeen. Ze stromen toe als mieren op een hoop. Begrijpelijk, want er zijn gewichtige dingen te bespreken. De ontwikkelingen van de Protestantse kerk in Nederland. Noem dat maar niet gewichtig. Gewichtige vragen worden aangedragen en op tafel gelegd. Is de exodus aan gemeenteleden niet een teken aan de wand? Zou het teken aan de wand niet verstaan moeten worden als dwaling van de kerk waarna het oordeel van diaspora haar en haar gediasporeerde leden onvermijdelijk en zwaar treft? Is de kerk zo langzamerhand niet in ballingschap geraakt? Zijn we vreemdelingen geworden? Of eenzame priesters? Of allebei? Vragen waar je je met gemak aan vertillen kunt. Ik zit erbij en hoor het allemaal aan.

'Hey, stupid! Don't start something you can't finish!'

Dan zie ik een mier. Ze tippelt over mijn tafel, spurt lichtvoetig  tegen mijn koffiekom op en kijkt zoekend rond. Als ze niks vindt kruipt ze kriebelig over mijn hand. Ik veeg een keer en weg is ze. Ze komt haar val eenvoudig te boven en gaat verder, haar tocht vervolgend over de gladde vloer. Ik volg haar met mijn ogen en zie dat ze onder een tafel tegenover mij zich voegt bij een hoopje andere mieren. Vervolgens kruipt ze loodrecht langs de tafelpoot omhoog en verkent dat platform. Totdat de daar aangeschoven dominee haar in het oog krijgt en… haar doodt. Hij krijgt ook de andere mieren in het vizier die rond zijn voeten al een begrafenisstoet lijken te vormen en hij aarzelt niet. Hij doodt ze stuk voor stuk door zijn grote voeten lichtzinnig boven op hen te plaatsen. Bijbelvast als hij is op de biblebelt, moet hij gedacht hebben dat het mierenvolkje een volkje zonder kracht is (Spr. 30,25).

Twee lijnen. De dominee en het mierenvolkje. De dominee zet ik gemakshalve als exponent die hij/ zij er nou eenmaal van is, gelijk met de kerk. Het mierenvolkje met de kerkgangers. De dominee maar eerst. Misschien is het niet helemaal eerlijk om de dominee met ‘de kerk’ gelijk te stellen, maar ik vind daar grond voor in hoe mensen, kerkganger of niet, naar een dominee kijken. Zo de dominee, zo de kerk. En het omgekeerde gaat ook vaak op. Zo de kerk, zo de dominee. Om maar een simpel voorbeeld te geven: het is ondenkbaar dat een dominee van een rechts-orthodoxe kerk bij een temperatuur van 25°C-plus in een korte broek, of een lichte zomerbroek op huisbezoek gaat. Nee, het moet donkerblauw en liefst zwart zijn.

Genoeg daarover. Wat ik er mee wil zeggen is dit: Sinds de eerste gemeente (Hand. 2) is de kerk geworden wat ze niet had mogen worden. Ze is ‘geïnstitutionaliseerd’. Ze is in dezelfde val getrapt als ‘de kerk’ in Jezus’ dagen. Daarmee matigt ze zich oordelen aan. Dogma’s, wetten, regels, wat ook maar, om het instituut ‘kerk’ haar gezag te geven. De kerkleiders hebben dat niet kunnen en/ of willen voorkomen. Een logisch gevolg is dat de kerk zich moet bezinnen. Misschien is Kerk 2025 een positieve stap. Maar als de dominee lichtzinnig zijn grote voeten op het kerkvolkje zet, omdat hij het ziet als een volkje zonder kracht, zijn alle plannen, hoe goed bedoeld ook, even sterk als het mierenvolkje dat onder de grote voeten van de dominante dominee vertreden wordt.

Het mierenvolkje. Voordat ik verder ga eerst een weetje. Weet je dat onderzoek onlangs heeft aangetoond dat dat mierenvolkje zonder kracht altijd de weg naar huis weet terug te vinden (zie Trouw 20 jan. 2017)? Of mieren nu achteruit moeten lopen, van hun spoor afgehaald worden, misleid worden met spiegeltjes om de stand van de zon anders te doen lijken, hun mierenkompas brengt ze altijd weer naar de mierenhoop.

Je kunt het mierenvolkje dus inderdaad even achteloos als lichtzinnig op één lijn zetten met het kerkvolkje. Veel leden van het kerkvolkje hebben allang hun biezen gepakt. Zij wilden niet vertreden worden. En terecht. Een deel van het kerkvolkje is opgeschoven naar het midden, naar links, naar rechts, of naar evangelisch. Een deel is zoekende en een deel is zoekgeraakt. Want iedereen die het kleine beetje verstand van een mier heeft, weet dat we niet zijn uitgerust met een kerkkompas, maar met een Godskompas (Gen. 1,27; Joh. 1,14). Velen uit dat kerkvolkje laten zich, net als een mier die op weg naar huis is, niet misleiden, verleiden en afleiden, zodat men de weg naar huis kwijtraakt. Het gediasporeerde kerkvolkje zal zich de weg naar huis herinneren (Joh. 14,4).

Maar wat nu als een deel van het kerkvolkje zo zwak is, dat het de weg niet meer weet? Beste dominees in vergadering bijeen: daar zijn wij nou dominees voor! Binnen onze gesloten muren van de kerk zijn we het waarschijnlijk allang verleerd. Maar die miezerige mier, die over mijn tafel kroop, en uiteindelijk werd gedood wilde het ons leren. Zij was een Godsgezant! Ga tot de mieren (…) en wordt wijs! (Spr. 6,6)

Boekentip: Te lezen in het verlengde hiervan zijn Stefan Paas’, ‘Vreemdelingen en priesters’ en Harry Kuiterts ‘Kerk als constructiefout’

Quote: ‘Ook in wat je niet kunt eren is genoeg aanwezig om toch te leren!’