Baruch met Body

Ik weet niet hoe dankbaar u bent, maar misschien is het met uw dankbaarheid net zo gesteld als met de mijne. Die heeft alle kenmerken en de bestaansomvang van een eendagsvlieg. Want laten we wel zijn, we hebben één dag per jaar apart gezet om God met dankbaarheid te zegenen. Op deze ene dag, en dan ook nog het liefst beperkt tot maximaal een uur, want dan zijn we nog net op tijd thuis voor de Champions League. Verder beperken we ons danken gemiddeld genomen tot: ‘Here, dank u voor dit eten…’, en omdat we christenen zijn prevelen we er haast onverstaanbaar en snel tussen neus en lippen achteraan: ‘…om Jezus wil’, waardoor onze dank toch nog iets meer body krijgt. Als we er ons tenminste nog de tijd voor gunnen. Want eten doen we vaak al tussen de bedrijven door. En daarmee is een nieuw schietgebed geboren. Dat is het (dank)gebed dat er vanwege alle drukte bij in schiet. 

God zegenen is je dankbaarheid body geven

De PKN wil, ook al staat het onder druk, de verbondenheid met het jodendom niet opgeven. Gelukkig, want van een gelovige jood kunnen we dankbaarheid leren. En die begint met zegenen. De Eeuwige zegenen, zoals een jood dat doet in het morgengebed. Gezegend (baruch zijt Gij, Koning der wereld, die de morgen ontbood en het licht hebt geroepen. biddenGod zegenen is God centraal stellen als Schepper. De ENE zegenen zoals Job deed, zelfs toen hij alles wat hem rijk maakte en hem lief en dierbaar was kwijtraakte. De ENE heeft gegeven, de ENE heeft genomen, de naam van de ENE zij gezegend! God zegenen is je dankbaarheid ‘body’ geven. De ‘body’ die voorspoed ervaart, de ‘body’ die tegenspoed ervaart. Door God te zegenen leren we om de dankbaarheid te leven. 

 

 

in de eucharistie gaat het om de ‘body’

Nu ik dat zo opschrijf staat mij levendig de viering van de Maaltijd van de Heer voor ogen. We vieren die iets vaker dan een handvol vingers. Maar te weinig voor twee handenvol. In de RK-traditie is er elke zondag de viering van de Maaltijd van de Heer. Deze heet ‘eucharistie’, dat letterlijk dankzeggen betekent. In de eucharistie gaat het om de ‘body’. Om Christus centraal te stellen die zijn lichaam liet breken voor een gebroken schepping. In zijn navolging zouden we onze dank ook eens wat meer body kunnen geven. Door onze dank te leven. In meeleven en medelijden door een naaste te zijn voor anderen. In het vieren van de Maaltijd van de Heer. Wat mij betreft meer dan zes keer per jaar. Maar laten we beginnen met elke ochtend God te zegenen. Die het licht heeft geroepen en ons roept om in zijn licht te leven.

 

Advertenties

Neem en lees weer

cijfers over de religieuze stand van zaken kan je net zo adequaat opleuken als zondagse kerkdiensten

Hoe religieus Nederland nog is’, was de kop boven een twee bladzijden vullend artikel in Trouw naar aanleiding van CBS-statistieken die becijferen dat er voor het eerst in Nederland minder religieuzen dan niet-religieuzen zijn. Een leuk weetje, maar wat mij betreft geen nieuws. Ook leuk is, hoe reli-variologen (antropologen, theologen, missiologen, godsdienstpsychologen, kortom religieuze wetenschappers van allerlei ‘logisch’ pluimage) religie proberen te definiëren. En nog leuker is dan, dat hoe verder je het begrip ‘religie’ oprekt, des te meer religieuze mensen er zijn. Meer dan de CBS-cijfers doen vermoeden. Ergo, cijfers over de religieuze stand van zaken in Nederland kan je net zo adequaat opleuken als zondagse kerkdiensten, zonder dat het iets toevoegt. Tevreden glimlachend sukkelen we weer in slaap als kerkgangers onder de preek van een opgeleukte eredienst. Want de reli-variologen hangen godzijdank (om welke god maakt niet uit) de slingers nog op. We hoeven om feest te vieren alleen maar religie opnieuw te definiëren.

zo lauw is het dus

Opnieuw Godzijdank – maar dan die van Stefan Paas – is er een theologische benadering. We moeten religie niet veel verder oprekken dan de kerkelijke muren. Alles wat daarbuiten aan religiositeit valt waar te nemen is even sterk verdund als een slokje avondmaalswijn aangelengd met de zes vaten water à honderd liter uit een bekend (?) bijbelverhaal. Daarmee leuk ik zelf de essentie op van wat de hoogleraar missiologie Paas zegt in het verlengde van de CBS-cijfers en het oprekken van het begrip ‘religie’. Maar leuk is het helemaal niet. Tenzij we ‘leuk’ weer definiëren naar zijn oorspronkelijke betekenis. Want dan moeten we zeggen: zo lauw is het dus. En zo onverschillig laat religie ons. ‘Leuk’ teruggebracht naar z’n oorspronkelijk betekenis leert ons dat opleuken van cijfers, begrippen en erediensten dus niet werkt. Het is als het water dat Johannes heet vanaf de terrassen van Hierapolis naar Laodicea zag stromen, alwaar het lauw geworden was en niet te drinken. 

neem en lees

Dat gebeurt met ‘religie’ als je de term oprekt of opleukt. Als bijbellezen vervangen wordt door yoga, en het luisteren naar de bijbelverhalen, zoals bijvoorbeeld naar dat verhaal over de Egyptische paarden en ruiters die zich in de Rode Zee stortten, vervangen wordt door paardrijden, veilig langs de vloedlijn der zee.  Met Paas ben ik het eens om religie niet zover op te rekken. Maar ik wil nog een stapje verder gaan. Zover als de oorspronkelijke betekenis van ‘religie’. In het etymologisch woordenboek van van Dale – voorwaar toch een autoriteit op het gebied van de Nederlandse taal – lees ik dat religie, naar de definitie van de bekende Romeinse redenaar Cicero, afgeleid zou zijn van re (terug) legere (lezen), het herlezen, het opnieuw overwegen. Als ik wat verder zoek, via internet, kom ik nog enkele definities tegen. De vroeg-christelijke schrijver Lactantius definieert religie als opnieuw binden, afgeleid van re-ligare. En dan is er nog de definitie van kerkvader Augustinus. Hij meent dat religie afgeleid is van re-eligere, het opnieuw verkiezen. Aansluitend bij de laatste hoor ik de woorden weer die hij hoorde voordat hij tot geloof kwam. Tolle lege! Neem en lees! De Afrikaanse kerkvader zou deze woorden ‘tolle lege’ uit de mond van zingende kinderen verstaan hebben als opdracht om de heilige Schrift, de bijbel, ter hand te nemen en die te gaan lezen. En dat deed hij en kwam toen na een lange geestelijke worsteling tot geloof. klik en lees

Zou het kunnen zijn, denk ik bang te moede, dat religie in Nederland er nog slechter voorstaat dan het CBS koudweg aantoont en dan Paas nog enigszins oprekt tot net buiten de kerkmuren? Wie verkiest (Augustinus) vandaag de dag nog de heilige Schrift, om die op te pakken en te lezen, en te herlezen (Cicero), om zich opnieuw te verbinden (Lactantius) met God? 

misschien gebeurt er weer een Kana-wonder

Eind 2016 gaven CBS-cijfers aan dat één op de zes Nederlanders weleens een religieuze dienst bezoekt. Als we het religieus-zijn naar dat cijfer meten, dan komen we niet verder dan nauwelijks zestien procent van de Nederlandse bevolking en in de buurt van de benadering van Paas. Zestien procent, één op de zes! Misschien moeten we terug naar ‘de verhalen’. Naar de opdrogende bron (volgens religieonderzoeker Miranda Klaver) van verhalen en symboliek waar ook niet kerkelijke mensen nog (!) uit putten. Naar het verhaal van God met mensen. Tolle lege. Neem de bijbel en lees. En tolle re-lege. Neem de bijbel en lees opnieuw. En verbind je weer (religare) met de God die allang voor jou gekozen heeft en die zijn verkiezing blijft bevestigen (re-eligere). Verstaan naar die religie kan het dan zomaar gebeuren! Dat pakweg zeshonderd liter water zich herinnert dat er nog één slokje wijn in aanwezig is. Ja, misschien gebeurt er dan weer een Kana-wonder in ons verwaterd religieus Nederland.   

In Memoriam

Vandaag ging ze dood. ‘Dat zeg je zo niet van een mens. Een dier gaat dood, een mens sterft.’, zei iemand mij ooit. Ik vind het wel een nobele gedachte hoor. Maar toen mijn schoonvader te horen kreeg dat hij leverkanker had, zei hij simpel: ‘Ik ga dood.’ Zo doodeenvoudig is het. 

Dus, zij ging vandaag dood. Omdat er niet veel moois is aan sterven. Dat vooropgesteld. In je slaap sterven, oud en der dagen zat, kan misschien iets hebben van grandeur, maar haar dood heeft niets van dat al. Zij ging gewoon dood. Dertig jaar was ze. Hoe ze heette weet ik eigenlijk niet eens. Wel weet ik wie haar kinderen zijn. Twee mooie kinderen heeft ze. Wie de vader is weet ik ook niet. Of ze het zelf heeft geweten? Vast wel. Maar echt in beeld, als vader en als man voor haar, was hij al lang niet meer. 

Ze leefde om te overleven

Van een leven dat ooit misschien veelbelovend begon was al gauw weinig meer over. Ze leefde om te overleven. Kwam in het criminele circuit terecht. Werd enige tijd opgesloten in een gevangenis. Waren er ook drugs en drank in het spel die af en toe die momenten in herinnering brachten van een veelbelovend leven? Ik weet het niet, maar aannemelijk is het helaas wel. Misschien heeft ze ooit nieuwe hoop gevoeld. Toen haar twee kinderen geboren werden. Een meisje en een jongen. Hun namen zijn hetzelfde. Op de laatste lettergreep na. De ene eindigt op ‘li’ en de andere naam op ‘lo’. Open lettergrepen die haar hoop op beter leven lijken uit te drukken. Maar die hoop verloor ze ook. Toen ze niet voor hen bleek te kunnen zorgen. Ze hield van haar kinderen. Zoveel moeder was ze wel. Het lukte haar alleen niet haar leven op orde te krijgen. Dan grijpen organisaties als jeugdzorg en kinderbescherming en wat al niet meer in. Wat dan overblijft is het bittere besef, mislukt als moeder, mislukt als mens. Ergo, een mislukt leven. 

Wat overblijft is een zouteloze zee van perverterende protocollen

Ze ging dood aan een hersentumor met galgenhumor. Die tumor was wat je noemt het enige succesvolle in haar leven. Die haalde zijn succes door als suïcidale parasiet haar mislukte leven definitief te beroven van elk greintje hoop en geluk. En toen ze dood was, was er zelfs geen hoop voor haar kinderen dat zij hun moeder nog zouden kunnen zien. Er is geen geld, dus wil men haar niet de laatste zorg geven. Over hoe ze begraven moet worden, of gecremeerd, kan niet gepraat worden. Want tja, er is geen geld. Zelfs dit land dat zo pronkt en pocht met de medailles van een humane, christelijke en sociale politiek en drijft op de allerlaatste resten van een vlot dat ‘naastenliefde’ heet, heeft de liefde voor de doden opgegeven. De doden begraven blijkt tussen de klassieke werken van barmhartigheid geen plek meer te hebben…, als er geen geld is. Wat dan overblijft is een zouteloze zee van perverterende protocollen. 

Het was een waardeloos leven

Vandaag ging ze dood. Dertig jaar was ze. Totaal mislukt. Wie haar korte leven overziet met de door geld getekende ogen van de hedendaagse maai- en graaicultuur moet wel vaststellen: het was een waardeloos leven. Voor haar richt ik een gedenksteen op. Die heeft ze wat mij betreft verdiend. Net zoals alle mensen die verdienen, die doodgaan aan een mislukt leven. Er komt niets te staan op die steen. Dat moet alles zeggen wat er te zeggen valt. 

____________

Ergens spelen haar kinderen. Opgenomen in gezinnen die, Goddank, de laatste resten van  het vlot van naastenliefde blijkbaar moeiteloos bijeen houden. Ze groeien er op. Aarzelend, haperend, als in een Echternach-processie. Tastend, struikelend, als blinden naar aanbrekend daglicht op een onbekende weg. Zij leven samen verder een leven dat veelbelovend begon. Tot dierbare gedachtenis van hun moeder. Die vandaag dood ging. Dertig jaar jong. 

Gea(r)mputeerde God

Voetballers hebben er wel een handje van. Om als het even kan en de scheidsrechter niet kijkt de bal een handje te helpen. Het doel in. Als grote voetballers dat doen wordt die menselijke hand plotseling de hand van God genoemd. Dan raakt het menselijke blijkbaar zo dicht aan het goddelijke dat de grens tussen God en mens vervaagt, het kromme recht wordt en Gods hand en mensenhand tot één vervloeien. Hoe heerlijk, om zo naam te maken. Dat de mens hier uitsluitend met de spelregels de hand licht hoeft geen betoog. Iedereen ziet het. Camerabeelden liegen niet. En we kunnen er om glimlachen. 

De Godswording van de mens

De bijbel beschikt niet over camerabeelden. Wel over godsbeelden. Of zijn het beelden die mensen over God hebben? Menselijke projecties over het onnoembare dat we ‘God’ zijn gaan noemen? Projecties die zo menselijk waren dat Jezus Christus daar de logische goddelijke gestalte van werd? De godswording van de mens. Wat we in Psalm 8 bijna waren werden we in Christus werkelijk en eindelijk. Goddelijke mensen. Is het daarom dat geleidelijk aan Gods vingers, waarmee Hij hemel en aarde wrochtte, menselijke handen werden? Zijn stem waarmee Hij als bij donderslag de dingen tot aanzijn riep, een menselijke stem werd? In Psalm 8 al aanwezig als zuigelingstem, maar vandaag een volwassen stem. Tot goddelijke wasdom gekomen. Of licht ik nu de hand met de regels van ons algemeen ongetwijfeld christelijk geloof?

Willem Aantjes bad eens: 

God van Adam en Eva.
Wij roepen u aan: ontferm u over de armen en ellendigen in onze wereld, die uw wereld is. Wij loven u, want uw ogen zien hun ellende.
Wij bidden u: bekeer ons, want u hebt geen andere ogen dan onze ogen.
Heer, ontferm u over ons.
 
God van Hagar en Sara.
Wij roepen u aan: ontferm u over wie geen weg meer zien in onze wereld, die uw wereld is. Wij loven u, want u baant voor hen een weg en laat hen in uw voetstappen treden. Wij bidden u: bekeer ons, want u hebt geen andere voeten dan onze voeten.
Heer, ontferm u over ons. 

jesus no hands feets.jpgGod van Israël en Ismaël
Wij roepen u aan: ontferm u over de verdrevenen en vervolgden in onze wereld, die uw wereld is. Wij loven u, want uw armen vangen hen op. Wij bidden u: bekeer ons, want u hebt geen andere armen dan onze armen.
Heer, ontferm u over ons.
 
God van Ezau en Jacob.
Wij roepen u aan: ontferm u over de gevangenen en gemartelden in onze wereld, die uw wereld is. Wij loven u, want u hoort hun hulpgeschrei. Wij bidden u: bekeer ons, want u hebt geen andere oren dan onze oren.
Heer, ontferm u over ons.
 
God van Lea en Rachel, 
Wij roepen u aan: ontferm u over wie hongeren en dorsten naar brood, water en gerechtigheid in onze wereld, die uw wereld is. Wij loven u, want u strekt uw handen naar hen allen uit. Wij bidden u: bekeer ons, want u hebt geen andere handen dan onze handen.
Heer, ontferm u over ons.

Bekeer ons, want u hebt geen andere handen dan onze handen. Is dat niet hetzelfde als jezelf aan je haren uit het moeras omhoog trekken? Of, geneesheer, genees uzelf? Als dat hetzelfde is, en dat is het volgens mij, dan moeten we, consequent doorgeredeneerd, dus onszelf verlossen. En we moeten onze projectie van God en ons zelfbeeld grondig herzien. Dat wil zeggen, wij zijn het bijna goddelijke ontstegen en geëvolueerd tot het goddelijke, en God is, of dood, of zwaar gea(r)mputeerd door diezelfde vergoddelijkte mens. Stokdoof, stekeblind, zwaar onthand en lamlendig gemaakt in de meest letterlijke zin.

God een heel handje helpen

Wat moeten we als gelovigen, en wat moet de kerk als leerhuis van en voor gelovigen vandaag nog met een God die sprak en het was er? Met Gods ogen die op de rechtvaardigen zijn en met zijn oren die gespitst zijn op hun hulpgeroep? Met zijn sterke hand en uitgestrekte arm? Met de voetbank zijner voeten? Zo’n transcendent antropomorf voorgesteld goddelijk wezen scoort vandaag niet meer. Willen we nog met zo’n God scoren dan moeten we Hem een handje helpen. Een heel handje helpen. En al is dat een heidens karwei, zo maken wij wel naam. 

En Hij, die in de hemel zetelt lacht. Vooropgesteld dat Hij een mond en gevoel voor zulke menselijke morbide humor heeft natuurlijk.

Toe-roepen of boe-roepen

Hoorde jij ook bij de menigte rondom de Ronde van Frankrijk tussen wie het wielerpeloton afgelopen drie weken door fietsten? Natuurlijk, als je een liefhebber bent dan stond je er ook. Langs een kasseienstrook, op een berghelling van 10 % en liefst meer, precies daar waar renners verstrikt raakten in buizen en benen, crank-assen en kettingen tijdens een valpartij, bij de finish van een massasprint en/ of bij een meetpunt van de tijdrit…, thuis of live, het maakt niet uit. Prachtig om iets te ervaren van de heroïek van echte kerels van nauwelijks 60 kg. op een carbonframe van amper 3 kg., balancerend op bandjes van net een centimeter breed (vanwege het aanstaande verbod op genderspecifiek onderscheid bedoel ik met ‘kerels’ ook de vrouwen op een racefiets, want die kunnen er ook wat van). 

Als je niet tussen de menigte stond, kun je nu stoppen met lezen. Als je er wel tussen stond is de volgende vraag: Wat deed je tussen de menigte? Toe-roepen of boe-roepen? Toekijken of afzeiken (soms letterlijk). Ik weet het, het is een gewetensvraag en daarom een hele persoonlijke vraag. Zo eentje die ons te dichtbij komt, zeggen we dan. Dus laat ik er dan maar eerst op antwoorden. Ik deed het beide. Toe- en boe-roepen. Toe-roepen als ik Tom Dumoulin zag. Boe-roepen als ik de Sky-ploeg zag. Vooral boe-roepen als ik Chris Froome zag. Bij hoog en bij laag. Met maar één doel: framing Froome. 

Niet netjes? Ik weet het. Maar nu ik toch zo openhartig ben, moet ik ook bekennen dat het met elke kilometer die de renners door het Franse land joegen minder werd. Anders werd. Eerst beschaafder.  – Beschaafd boe-roepen, kan dat? – Toen kwam één van de laatste etappes. Een tijdrit. Ik zag Froome zijn kilometers opvreten. Soeverein, in een koninklijke cadans. Ondertussen allerlei rituelen uitvoerend. Van het beroeren van het profetisch metertje op het stuur tot het tasten naar het communicatiekastje op de rug die hij als de Mur-de-Bretagne had gerecht. Een heilige op een fiets. In gebedshouding. Toen ontplofte het zomaar in mijn gedachten, stamelde mijn mond: Ik hoop dat hij deze tijdrit wint. 

Zei ik dit echt? Ja, ik was het. De boe-roeper. Ik realiseerde mij ineens wat de media met je doen als je de deur, zoals ik, voor ze open zet. Ze doen het langzaam, lispelend als de slang in de Hof van Eden. En je trapt erin. Je eet wat ze je voorzetten. En ik zag plotseling wat Chris Froome deed. Gewoon fietsen (nou ja, gewoon). Met respect voor zijn mede-renners. Met het besef dat boe-roepers verloren zieltjes zijn die gered moeten worden. Daarom trapt hij als een dolle het molentje van zijn fiets rond. Als een messiaanse martelaar die tegen beter weten in het vuur van de brandstapel probeert uit te trappen. Die beseft dat voor de boe-roepers de chrono op vijf-voor-twaalf staat. Slechts 300 tellen, en dan ook nog bergop. Een hel(s)e toer. Een Tour de Force!

Gisteren stond hij op het erepodium. De gouden glans van zijn prestatie kleurde zelfs de trui van zijn teamgenoot Thomas geel, meende ik te zien. Zelfs niet in zijn beste doen en tegen de stroom van het boegeroep in lukte het hem toch. Ik bekeerde mij. Van boe-roeper tot toe-roeper. “I learned my lesson, Chris. Well done Mr. Froome! Praise the Lord for people like you.”  

Van Veertig naar Vijftig

Van Veertig naar Vijftig. Dat is van de Mem (מ) naar de Nun (נ). Mem en Nun zijn letters uit het Hebreeuwse alfabet. Nu kun je in het jodendom niet zomaar, achteloos, een letter noemen. Elke letter heeft haar eigen getalswaarde en haar eigen verhaal. De getalswaarde van de Mem (onze ‘m’) is veertig. Het verhaal achter de Mem is wachttijd. Het is wachten op de vervulling van Gods beloften. In de leerstof van Hebreeuwse letters van Studiehuis Reshiet staat: ‘Wachten is het moeilijkste wat er is (…). Om niet de moed te verliezen moet de wachttijd worden geordend, ‘besneden’: wie de tijd niet ‘besnijdt’, wie geen getijden  (= ‘afgesneden’ stukjes tijd) in acht neemt, wordt doelloos op den duur, en verliest met de herinnering van het verleden ook de hoop op de toekomst.’ 

De Veertigdagentijd is ‘besneden’ tijd. Een tijd die met de dagen van de Stille Week intensiveert. Een ‘afgesneden’ tijd die met Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag binnen de Veertigdagentijd aparte stukjes ‘afgesneden’ tijd kent. Tijd van wachten. Tijd van inkeer. Tijd van de grote daden van God gedenken. De Mem wijst ook op water. Voor de jood: het wijkende water van de Rietzee, water uit de rots in de woestijn; het wijkende water van de Jordaan, water van reiniging. Voor de christen: water van de doop, van ondergaan en opstaan, van geboorte en wedergeboorte.

De getalswaarde van de Nun (onze ’n’) is vijftig. Het verhaal achter de Nun is bevrijding. Na veertig komt vijftig. Na het wachten op Gods beloften komt de vervulling van Zijn beloften. Pasen, bevrijding, opstanding! Een nieuwe tijd begint. Deze begint opnieuw met een stukje ‘afgesneden’ tijd. Vijftig dagen. Van Pasen naar Pinksteren. Het symbool voor bevrijding is betekenis van de letter Nun. In het Hebreeuws betekent Nun ‘vis’. Vijftig dagen zijn de dagen van de vis. Deze Nun wordt vooral voor de eerste christenen onder de vervolging het teken, het symbool van een vis, in het Grieks ichtus. De letters van dat woord verwijzen naar Jezus Christus. Iesous Xristos Theoe Uios Soter – Jezus Christus, Gods Zoon, de Redder. 

Van Mem naar Nun. Dat is van Veertigdagentijd naar Vijftigdagentijd. Van wachten op redding, naar leven in vrijheid. Want nu de Heer is opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan. De Vijftigdagentijd wordt opnieuw een tijd van wachten. Maar nu in een nieuwe tijd. In een tijd van vrijheid. Op weg naar de voltooiing van Gods belofte. Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft (Joël 3: 1).

En voorproefje van het Koninkrijk van God

Als iemand mij over 12 jaar zou vragen: “Wat deed je op 12 februari 2018?”, dan zeg ik: “Toen heb ik gehuild.” Nu huil ik wel eens vaker, maar niet zo heel vaak om het geluk van anderen. Maar 12 februari was zo’n dag dat ik geraakt werd door het geluk van een ander. Door het geluk van Ireen Wüst. Ik geef toe, al vanaf dag één dat zij op het ijs verscheen ben ik fan van deze stoere streekgenoot die zoveel wint. Nu won zij voor de vijfde keer een gouden medaille bij haar vierde Olympische Winterspelen. En zij liet haar tranen, na een immens spannende 15 minuten waarin allerlei toppers haar nog van de eerste plaats konden rijden, de vrije loop. Want het lukte niemand om haar toptijd te verbeteren.

Ze zat op het middenterrein. Gehurkt. De vingers gekruist. Keek niet op en leek in diep gebed verzonken te zijn. Pas de laatste honderd meter van de laatste tegenstanders volgde ze met bange blikken. Met lispelende lippen, als Hanna bij Eli in de tempel, prevelend bij elke schaatsslag: “Het zal toch niet…, het zal toch niet…?” En het zou niet. Ireen won en daarmee haar vijfde olympische gouden medaille. Haast te mooi om waar te zijn. De cirkel was rond, zei ze. Precies 12 jaar na haar eerste gouden medaille. Ze sprong in de armen van haar trainer, rende naar haar familie – die haar altijd en overal steunt – stak de armen in de lucht, zeeg op haar knieën op het stootkussen…, en toen was er de koning. Die haar omarmde, beklopte en haar tranen droogde met zijn koninklijke jas toen hij haar tegen zijn vaderlijke borst drukte. Die zich niet te groot voelde om tussen het ‘gewone volk’ op zijn beurt te wachten om haar te feliciteren. Het had allemaal iets religieus. Het waren sacrale seconden die zij en wij met haar beleefden op 12 februari 2018. Schaatsen uit, schoenen uit, muts af, de armen geheven. Even stonden we met elkaar op heilige grond.

wust

Misschien huilde ik ook wel daarom. Om die religieuze reuring die zo eigen is aan het werk van de Geest. De Geest van God. Of mag je dat zo niet zeggen? Is dat teveel inlegkunde en te weinig uitlegkunde? Ik weet het niet, maar ik proefde iets van het Koninkrijk van God. Zoals professor van Ruler zei als hij aan zijn pijp lurkte of genoot van het voetbal op de tribune bij FC Utrecht. Nee, eigenlijk weet ik het wel. In deze momenten van grote schoonheid, van kunst, van overgave, van ‘Begeisterung’, is de Geest aan het werk en proeven we inderdaad iets van het Koninkrijk van God. Over de Geest van God zeggen we niet gauw teveel, al komt Hij/ Zij er bij ons vaak bekaaid van af. Alsof de Geest een stiefkind is van de heilige Drie-eenheid. De Geest is veel meer en overvloediger aan het werk dan in de kerk, dan in wonderen, dan in een Bijbellezing of een preek. De hele schepping is doortrokken van de heilige Geest. Van het rafelige roodbaaien hemd van Jopie Huisman tot Christos Redentor die hoog verheven zijn armen beschermend legt om de ten hemel schreiende favela’s van Rio. De Geest van God inspireert door het grote en het kleine. Van een kind dat met wat potloodkrassen trots zijn eerste zelfportret presenteert tot de schaatser die na jaren training voor de zoveelste keer het beste presteert.

De Geest van God spreekt. In kindergebrabbel (zegt Psalm 8) en in de wijze woorden van de ouderdom. Onlangs sprak ik iemand die 100 jaar was geworden. Ik vroeg haar hoe ze terugkeek op haar veelbewogen leven. Had ze achteraf spijt van dingen? Had ze dingen anders moeten doen? Ze dacht even na, overdacht in een tijd sneller dan Wüst de 1500 meter schaatste haar honderdjarige leven en zei: “Nee, ik heb geleefd. Ik heb het leven geleefd. Zoals het kwam.” Haar eenvoud raakte mij. Een sacraal moment. Een heilige plaats. Ik kon het niet helpen, maar ook toen moest ik huilen. Huilen van ontroering. Want ik zag het voor me. Zij bij de Koning. Die zich niet te groot voelt om onder het ‘gewone volk’ te komen. Die als ze naar Hem opziet en zegt “Ik heb geleefd”, haar omarmt, bemoedigend beklopt en haar tranen droogt met zijn ‘koninklijke jas’ als Hij haar tegen Zijn vaderlijke borst drukt. Een prachtig visioen. Te mooi om waar te zijn? Nee, ‘gewoon’ de Geest van God aan het werk. Die ons altijd en overal iets aanreikt om te laten proeven. Een voor-proefje van het Koninkrijk van God.

 

Het Kerstverhaal

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van Rina. ‘Licht…. Het is er in talloze varianten…. Licht…letterlijk en figuurlijk….  Licht… mogelijkheid om te zien en gezien te worden als mens met nààm! Laat ik je nu vertellen over mijn huisgenoten. Ik leef samen met Job, een Duitse herder en hulphond met pensioen. Ik leef samen met Mozes, een Rhodesian en hulphond. Ik leef samen met Prediker, een Rhodesian en leerling-hulphond.

Job… de bijbel vertelt een verhaal: Job wordt uitgedaagd door de Schepper…of? In het samen leven met Job blijf ik mij bewust van mijn keuze om de band met de Schepper te blijven zoeken en te onderhouden. Job, lijden léven. Mozes.. de bijbel vertelt een verhaal: Mozes doet zijn uiterste best en op het moment supreme het beloofde land niet in mogen… of?  In het samenleven met Mozes voed ik mijn hoop dat dood slechts ‘dood’ is. Mozes, leren léven. Prediker.. de bijbel vertelt een verhaal: zoveel kennis van en over de Schepper en tegelijkertijd diens ‘verborgenheid.’ In het samenleven met Prediker lach ik, heb ik respect voor haar kennis en haar ondoorgrondelijkheid. Prediker, lééf het moNUment.

Job, Mozes en Prediker zijn kostbare leefgenoten. Ik ontvang licht van hen en wens daardoor licht door te geven.’

Job_Mozes_Prediker_dec_2017.jpg

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van Linda en Pierre, mijn goede vrienden. ‘Zullen we je vertellen over Pascalle? Ja, laten we dat doen. Pascalle. Onze dochter. Een prachtige meid. Een vrolijke meid. Een dochter met oneindig veel liefde voor ons. Als we ’s avonds naar bed gaan, klopt ze op de muur. Dan horen we haar roepen: “Ik houd van jullie, zo groot als de hemel is.” Pascalle, haar naam heeft een diepe betekenis. Geboren op Pasen. Dat is niet helemaal waar. Pascalle is geboren rond carnaval. De precieze dag weten we niet meer. Was het aswoensdag? Of de eerste zondag van de Veertigdagentijd? Ja, deze laatste was het. Zondag invocabit. De zondag van God erbij roepen. Alsof het zo voorbestemd was.

We hebben God erbij geroepen. Toen ze met al haar kracht vocht tegen het onvermijdelijke. We hebben God erbij geroepen. Toen ze in een witte stilte lag. Haar hoofd in doeken gewikkeld. Bij een kwijnend regelmatig terugkerend piepje. We hebben God erbij geroepen. Toen ze glijdend tussen onze handen door verdween in een diepe afgrond. Maar soms, zomaar, bij het stoffen van haar kamer, voelen we haar hand. Horen we haar stem: “Ik houd van jullie, zo groot als de hemel is.” Pascalle overleed vlak voor haar geboortedag. Maar uit de grote hemel klinkt: “Geboren op Pasen. Voorgoed.”’

christmas_PNG17214.png
Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van Marco. ‘Zal ik je vertellen van mijn verlamming? Dat kan ik doen. Ik weet er zo ongeveer alles van. Al ongeveer vijfendertig jaar ben ik met haar vertrouwd. Tenminste, dat denk ik. Ik houd de tijd niet zo bij. Zal ik vertellen dat de verlamming mij zo beperkt dat ik altijd handen aan mijn lijf toe moet laten? Vreemde handen. Handen die ik soms niet wil. Vertrouwde handen. Handen die ik soms mis. Maar wie begrijpt dat?

Nee, laat ik wat meer vertellen over die vertrouwde handen. Die zijn er zo veel. De kordate en sterke handen van mijn vader. Ze tillen mij op. Soms boven mijzelf uit. De zachte zorgzame handen van mijn moeder. Als ik mij bij iemand thuis voel dan is het wel bij haar. En laat ik niet de handen van mijn broers, mijn zus en mijn schoonzus vergeten. Ze laten mij merken hoeveel ze van me houden. M’n broers wat onhandig, m’n zus zo bijdehand, m’n schoonzus met zachte hand. Handen zijn het die ik niet missen kan. En dan heb ik het niet eens over zoveel andere vertrouwde handen. Van vrienden. Van huisgenoten. Van de chauffeur die mij vaak ophaalt en weer thuisbrengt en mij met vaste hand door het drukke verkeer loodst. Ja, dat wil ik vertellen, dat ik op handen word gedragen. Ja, zo zeg ik het goed.’

christmas_ornaments.gif

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van een jonge vrouw. Zonder naam. Eén van de velen. ‘Veertien jaar was ik. Ik had al verkering. Ik ging er helemaal voor. Ik had de prins van mijn dromen. Maar hij werd de prins van mijn demonen. Vond hij mij niet mooi? Hij keek wel vaak en graag naar andere meisjes. Vond hij mij te dik? Hij wees wel vaak naar meisjes die in zijn ogen superslank waren. Ik at bijna niet meer. En soms veel te veel. Al moest dat er wel weer zo snel mogelijk uit. Het ergste gebeurde. Langzaam ging ik kapot. Samen met mijn relatie.

Ik zocht liefde bij een ander. Maar vond die niet. Ik zocht liefde bij weer een ander. En raakte zwanger. Van de eerste keer. ik wist me geen raad. Mijn tranen vloeiden. Rivieren vol verdriet en spijt. Toch, tegen alles in, mijn kind wilde ik niet kwijt. Hij werd geboren en had het Syndroom van Down. Ik dacht: ‘Dit is mijn straf.’ Maar de hemel lachte en langzaam leerde ik meelachen. Mijn zoon werd mijn zon. En ik genas van mijn zieke zelfbeeld.’

christmas-ornament-png-download-christmas-ornament-png-images-transparent-gallery-advertisement-1115.png

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van miljoenen mensen. Het is het verhaal van u en van jou en van mij. Het is het verhaal van gebroken levens. Van mensen op zoek naar heelheid, vrede en gerechtigheid. Van mensen die geloven en hopen en liefhebben tegen ontkenning, tegen wanhoop en tegen liefdeloosheid in.

Dit is het kerstverhaal. Het is het verhaal van een mens. Geboren in stikdonkere nacht. Vele namen droeg Hij. Hij werd genoemd: wonderbare raadsman, goddelijke held, eeuwige Vader, Vredevorst. Hij noemde zichzelf, Zoon des Mensen, Licht der wereld, Ware wijnstok, Goede herder. Hij was het levende brood van God uit de hemel neergedaald. Op Hem en om Hem hopen wij, in Hem en door geloven wij. Met Hem en uit Hem hebben we lief. Want Hij wordt ook genoemd, Heiland, Heelmaker van ons gebroken bestaan.

Dit is het Kerstverhaal.


	

De mens – bevragenswaardig

Zondag van de Voleinding. In vele kerken worden tijdens de viering de namen genoemd van gemeenteleden die in het afgelopen kerkelijk jaar overleden zijn. Mensen zijn niet zomaar mensen. Mensen hebben namen. De Joods-Franse filosoof Marc-Alain Ouaknin zegt in zijn lezenswaardige boekje ‘God en de kunst van het vissen’ (Lannoo 2016) dat ‘de mens ontplooiing [is] tot, streven, spanning en verlangen. Altijd verder dan de identiteit. De mens vormt zich en wordt in de tijd.’ (blz.160) En die wordende mens heeft een naam, een ‘sjem’ dat in het Hebreeuws verwant is aan ‘sjam’; daarginds. Een prachtige samenhang. De mens met een naam is aangelegd op daarginds, op toekomst. In die zin wordt de mens in de tijd. ‘De mens bestaat in een onophoudelijk anders worden.’ (blz.160) Dat is zelfs zijn verantwoordelijkheid.

In de Hebreeuwse taal  staan letters ook voor cijfers. Zo is de getalswaarde van Adam (mens) 45. Dat getal 45 wordt als mah geschreven. Een woord dat ‘wat?’ betekent. Ouaknin legt uit dat de mens een vraag is. In Psalm 8 en in Psalm 144 komen we de vraag tegen: ‘Wat is de mens?’ De Bijbel geeft daar verschillende antwoorden op. Ouaknin zegt: ‘De mens is de wachter van het vragen. Door het ‘waarom’ te bewaren laat hij het woord dat hem vormt opleven.’ (blz. 161) Dat vind ik een zeer diepzinnig antwoord. Het vraagt niet om uitleg, het vraagt om overleg. Het antwoord nodigt uit tot overdenking en doordenking. De mens met een naam genoemd is wachter van het vragen.

Kerstfeest 2017 is aanstaande. We vieren de geboorte van de Messias. We noemen zijn naam: Jezus, God redt! Maar voorbij het kerstfeest hoor ik een doordringende vraag. Van deze Jezus die zichzelf noemde, de Mensenzoon. ‘Mijn God, waarom…?’ Laat die vraag ons niet juist de Mens zien die Hij geworden is in de tijd? (…) [O]ntplooiing tot, streven, spanning en verlangen. Altijd verder dan de identiteit…, van Adam naar God redt?

—???—

Voor de viering op Zondag van de Voleinding schreef ik een gedicht. Geïnspireerd door Marc-Alain Ouaknin die verder over de mens als wachter van het vragen zegt: ‘De mens, adam/mah, is openheid naar de toekomst.’ (blz. 161) Zou ik het ook zo mogen zeggen: Door de Adam van het ‘Waarom?’ is er openheid naar de toekomst?

Met bijzondere dank aan Rens Boevé plaats ik de foto van de liturgische schikking. Hij bracht het noemen van de namen prachtig in beeld. Foto en gedicht draag ik op aan allen die ons ontvallen zijn en die we hardop en/ of in de stilte van ons hart telkens noemen en aan allen die met het gemis van geliefden leven. We noemen hun namen. Niet omdat wij mensen beklagenswaardig zijn, maar omdat wij mensen -naar Psalm 8- juist bevragenswaardig zijn! In Jezus naam.

In Zijn naam

Hij noemde jou bij je naam.
Hij riep jou, mens,
te worden
meer dan je denkt te zijn.

Jouw naam is meer dan zijn
jouw naam is een bron
van mogelijkheden,
van nieuwe vormen
van denken
en handelen
naar jouw vermogen,
om boven jezelf uit
mens te worden.

Je draagt jezelf vooruit,
je draagt je leven –
in die ene Naam genoemd –
op de toekomst aan.

Jouw naam is antwoord op
en echo van Zijn naam.
Naam mag je maken,
naam, In Zijn naam.

In Zijn Naam,
boven alle namen
In Zijn Naam
bron van jouw bestaan.
Als meer dan mogelijkheid,
denken en handelen,
als meer dan jouw vermogen,
is Zijn Naam belofte
dat jij mens wordt in Zijn Naam

Hij schrijft jouw naam
Hij kerft jou, mens,
zorgvuldig
in Zijn hart en handen

Voor altijd word jij, mens,
in Zijn naam genoemd.

(© Johan Duijster 2017)

Schermafbeelding 2017-11-27 om 09.34.37

500

Museum Haarlem houdt een expositie over 500 jaar ziekenzorg in en rond Haarlem. Er is in 500 jaar veel veranderd. Ooit begon het met een gasthuis voor zieken. De zorg ging niet verder dan tweemaal daags een maaltijd. Dat klinkt logisch als je aan moet sterken. Maar door gebrek aan hygiëne was het gasthuis meer een sterfhuis. Wie in het gasthuis werd opgenomen liep gerede kans dat met de dood te moeten bekopen. Vandaag is het andersom. De hele zorg is op herstel gericht. Onderzoek, techniek en hygiëne zijn onmisbare instrumenten geworden van de gezondheidszorg.

luther-playmobilDe Protestantse Kerk Nederland (o.a.) besteedt dit jaar ook aandacht aan 500 jaar. In haar geval, aan 500 jaar protestantisme. Of liever, 500 jaar reformatie. Er is in 500 jaar veel veranderd. Ooit begon het met aandacht voor de ‘gewone gelovige’. Met Gods Woord in gewone taal. Met geloven en belijden zonder Kerk-Latijn en tierlantijn. De reformatie ging om een levende kerk voor iedereen. Met haar instrumentarium van de Bijbel in gewone taal en de vijf sola’s (zie https://isgeschiedenis.nl/node/19115)  ging het de reformatie om herstel van de kerk van Jezus Christus.

Vandaag lijkt het erop dat de reformatie de tegenovergestelde beweging van de gezondheidszorg heeft ingezet. Wie vandaag in die kerk rondkijkt, meent vooral een kerk te zien die op een sterfhuis lijkt, waarvan het orgel, de dorpelwachter, de dominee met toga die oproept tot bekering en de jong-gelovige tot museumstukken gepromoveerd zijn.

Dat laatste neem ik niet graag voor mijn rekening. Dat is voor de zwart-witkijkers onder ons en voor degenen die tegen kerk, geloof en God zijn. Want zo is het niet. Wat 500 jaar reformatie gebracht heeft is een kerk die veel beklemmende ballast -zij het met moeite- van zich heeft afgeschud en waar steeds meer aandacht is gekomen voor het allerbelangrijkste principe dat de basis is geweest en nog altijd is van het schepsel ‘mens’. Namelijk, dat deze vrij is. Vrij om te kiezen. Vrij om te geloven, of niet te geloven. Vrij om te kiezen, voor of tegen God. Die vrijheid, dat moet er wel bij gezegd worden, is pas vrijheid als ze de liefde leert. Zonder liefde zouden we geen weet hebben van wat vrijheid is. En zonder vrijheid zijn we…, inderdaad, dood! Zo dood als poppen aan een touwtje.

Maar Godzijdank (!), verlost van Kerk-Latijn en tierlantijn verkondigt de kerk vandaag nog altijd de liefde van God door Jezus Christus. Levendiger dan Hij is, krijgen we de kerk niet. En het is Zijn liefdevolle zorg die geheel op het herstel van Gods schepping is gericht. Niet 500 maar duizend, duizendmaal o HEER, zij U daarvoor dank en eer!