Consument of communicant

De klant is géén koning!

Zo…, dat is eruit. Het moe(s)t een keer gezegd worden. Dat gezegd hebbende, weet je het wel. Verbaasde blikken, geïrriteerde reacties, mensen direct in de weerstand. ‘Hoezo niet? Hoe kom je aan die onzin? Ik zal je eens even vertellen hoe…’, en dan komt het. Een ervaring met een winkel, een leverancier, een ondeugdelijk product…, etc. Maar voordat iedereen in de weerstand schiet, verhalen begint te vertellen die aantonen hoezeer ik ongelijk heb en uit protest hier stopt met lezen, zal ik deze uitspraak die alle recht van spreken heeft even toelichten. Voorzien van de juiste context. 

De klant is géén koning in de kerk. Ik geloof dat veel mensen nu zullen zeggen, ‘je hebt gelijk. Want de kerk is geen vermaakzaak. Geen winkel van Sinkel. Geen antiquariaat dat oude teksten voor elk aannemelijk bod weg doet, waar God Malle Pietje is.’ En toch, dat wij minimaal 15 uur per dag consument zijn – van het vroeg gegeten dagelijkse brood tot en met de laatste scrolls bij Bolpuntcom vlak voor het slapen gaan – heeft ons kennelijk in de kieskeurige kleding geperst van de klant die koning is. Kleding die we niet zomaar meer van ons afschudden. Want blijkbaar zit dergelijke kleding lekker royaal, en omkleedt ze je met de status die hoort bij iemand die veel noten op zijn/ haar zang wil hebben. Waar iedereen morst, ben jij de vorst. Het is dan ook niet vreemd dat we ons meer en meer gaan gedragen als consumenten. Ook in de kerk.

Maar de kerk is anders. De kerk belijdt maar één Koning. En die Koning is dan ook nog de Koning van de dienstbaarheid. Hij zegt niet, ‘laat je door Mij dienen’, maar ‘dien Mij door net als Ik te doen’. In de kerk zijn we geen veeleisende consumenten met de status van een koning, maar zijn we communicanten met de status van een bedelaar. In de kerk hebben we geen noten op onze zang, maar krijgen we noten voor onze zang. In de kerk nemen we deel aan het Koninkrijk van de Koning van de Kerk. Dat doen we als we communiceren. In zang, in Woord, in gebed. In Doop en Avondmaal die we heilig noemen, omdat het initiatief van de Koning zelf uitgaat. Daar kun je als consument alles van vinden, maar alles wat je er van vindt, breng je bij de Koning. In Woord en Sacrament, in ruimte en rituelen. 

Als kerk-zijn alleen iets is voor de zondag, zou ik nu stoppen. Maar het belangrijkste komt nu. Kerk-zijn, dienstbaar zijn aan de Koning van de Kerk doortrekt heel het leven. Alle dagen. Alle rolpatronen. En niet in de laatste plaats die van consument. Elke kerkganger zal dat braaf beamen. Zoals ik wel vaker hoor aan het einde van de dienst. ‘Dat hebt u nou eens goed gezegd dominee.’ Ik heb dan altijd de neiging om te vragen: ‘Voor wie heb ik het goed gezegd?’ Of: ‘U trekt het zeker uzelf nogal aan?’ Want, helaas, al direct na het laatste amen van de dienst tot de eerstvolgende votum en begroeting een week later, communiceren we niet meer in dienstbaarheid, maar dicteren we als koning Klant. Om het maar klip en klaar te zeggen: ‘U staat ingeschreven als ‘actief’ dooplid/ belijdend lid. Nergens staat vermeld: actief consumerend. Dus hoe actief bent u eigenlijk?

U merkt het, ik spreek u met U aan. Dat is een onverwoestbaar overblijfsel, denk ik. Het is nog iets uit de tijd dat ik werkzaam was bij de grootste kruidenier van Nederland. Die al zijn klanten als koningen behandeld wil zien. Je moet in alle toonaarden daar duidelijk over zijn. Op het gevaar af dat ik u met het U teveel herinner aan de koninklijke status van consument, vraag ik het zo: Waar ben JIJ in de kerk? Hoe actief betrokken ben JIJ? Hoe dienstbaar aan de Koning ben JIJ? Is de kerk er alleen voor JOU? Of ben JIJ er ook voor de kerk? Voor de gemeente en de gemeenschap? Voor de Koning en al zijn onderdanen? 

Dus wat wil je nou eigenlijk? Consument zijn die ook in de kerk als koning behandeld wil worden, of communicant zijn die koninklijk dienstbaar wil zijn, zoals de Koning zelf? Het is het één of het ander. En om het maar klip en klaar met het Woord van de Koning zelf te zeggen: ‘Wie niet voor Mij is, is tegen Mij’. Prachtig hoe in alle toonaarden de Koning duidelijk is naar ons, zijn ‘klanten’. Dan kun je als consument zeggen: ‘Nou, als het zo moet, dan wil ik geen lid meer van een kerk zijn.’ Als communicant kun je ook zeggen: ‘Hoe mooi is het om samen in dienstbaarheid aan elkaar Koningskinderen te zijn!’

Ben je lid, dan doe je mee. In dienstbaarheid. Aan de Koning en zijn Kerk. En Hij stelt geen functie-eisen. Er zijn kerkleden boven de tachtig die nog altijd actief meedoen in het pastoraat. Er zijn kinderen, amper 12 jaar, die mee willen draaien bij de oppasdienst. Er zijn mensen met een beperking, die hun beperking niet willen gebruiken om maar niets te hoeven doen. Er zijn mensen met een overvolle agenda, die er toch nog wel iets bij willen doen in de kerk. Allemaal in dienst van en aan de Koning en zijn Koninkrijk.

Hoeveel mensen uit het ledenbestand van de kerk blijven er, denk je, dan nog over die klant en koning (= consument) willen blijven? Waarschijnlijk meer dan je denkt. Maar die doen nu niet mee. Het antwoord begint bij jezelf. Bij jou, bij mij.

Van nieuw naar nieuw

Een nieuw jaar is begonnen. Maar hoe nieuw is nieuw? Hoe nieuw is nieuw als alles bij het oude blijft? Sterker nog, nieuw blijkt goed beschouwd niet nieuw maar ouder te zijn. De wereld is met de aanvang van het nieuwe jaar een jaar ouder geworden. En alle mensen, ook zij die met botox, facelifts en plastisch chirurgie zichzelf ‘vernieuwen’ om het tegendeel te bewijzen, zijn er geen rimpel jonger op geworden. Wel ouder. 

Toch houden we van nieuw. Daar hangt de wereld van aan elkaar. Sommige mensen kopen bewust geen goed bankstel. Waarom zou je? Liever over drie jaar weer een nieuw bankstel. Nieuw is voor de gadget- en elektronicamarkt het grote toverwoord. Als Apple iPhone 14 roept, staan meteen miljoenen potentiële klanten te trappelen van ongeduld om het aangekondigde nieuwe type te kopen. Kortom, zonder de vraag naar het nieuwe zou de economie in elkaar storten. Zou onze wondere wereld weer tot een ondefinieerbare tohoe wabohoe – woeste ledigheid – verworden. En dan hebben we het nog niet eens over de goede voornemens. Elk jaar beginnen we ermee, omdat we een soort nieuwere ik willen zijn. Een ik 3.1 of 21.6 of 61.9. 

Hoe zit dat met de kerken? Hoe zit dat met het geloof? Daar gaat het helemaal mis. Voortdurend komen de laatste decennia boeken op de markt met theorieën en praktijken die de kerken en het geloven moeten vernieuwen. Maar telkens blijken ze nieuwe wijn – of meer nog, aangelengde wijn in oude zakken te zijn. En die gaan scheuren. Gevolg? Het nieuwe verdwijnt met het oude. Nader bezien werkt het ook niet. God is, hoe zeg je dat, al eeuwig-oud. Altijd dezelfde. Onveranderlijk. De Bijbel is een eeuwenoud boek. Geloven en kerk-zijn komen in feite neer op altijd hetzelfde. Hoe gaan we geloven en kerk-zijn vernieuwen? 

De vraag is dan eerst wat nieuw is? De tekst over nieuwe wijn in oude zakken (Matt. 9, 17) geeft het aan. Nieuwe (Grieks: neon) wijn moet in nieuwe (Grieks: kainos) zakken gedaan worden. Het eerste nieuw is nieuw van tijd. Jong dus, zoals nieuwe wijn jong is. Net geperst, kort gerijpt, gebotteld, gekocht en gedronken. Matteüs gebruikt voor het nieuwe van de zakken een ander woord. Nieuw van kwaliteit. Van een andere basis dan het oude. 

Breng je dat bij elkaar, dan gaat het erom het oude algemeen ongetwijfeld christelijk geloof dat de Kerk van alle tijden en plaatsen belijdt telkens nieuw te leren verstaan. Nieuw van tijd. Dat betekent dat je bij al het oude dat je kent, hoort en belijdt je het nieuwe ervan moet durven te geloven. Geloof dat zich niet vernieuwt verkurkt (wordt ongetwijfeld niet het nieuwe woord van 2022) en vertroebelt. En ondertussen doen we alsof het steeds kostbaarder wordt. Het gevaar daarvan is uiteindelijk een of andere vorm van fundamentalisme. En zonder dat we er erg in hebben spoelen daarmee de laatste restjes levend (te verstaan als vernieuwend) geloof weg. Het spoelt weg omdat gelovigen zich als oude zakken gaan gedragen.

Nieuw van kwaliteit gaat om ons hart. Ons gelovig hart. Om onze ziel. Onze gelovige ziel. Om heel ons gelovig-zijn. Nieuw van kwaliteit gaat ook om de kerken. Durven wij en de kerken het aan om als Abraham de oude sporen te verlaten en nieuwe sporen te gaan? Stel het je eens voor. Abraham had de wereld van afgoden en sterrenkijkers achter zich gelaten voor een beeldloos God. Die zegt hem op een avond dat hij naar de sterren moet kijken. Dat was voor Abraham in feite oud geloof. In de sterren stond te lezen hoe de toekomst er uit zou zien. Maar nu wijst de beeldloze God hem op iets nieuws. Wat je denkt dat in de sterren staat geschreven is verleden tijd. Ouwe koek. Het licht van de sterren die je ziet is van sterren die al lichtjaren verder zijn of die op het moment waarop je ze ziet allang dood zijn. Het nieuwe zit in een mens, zegt God. In een kind. Nee, in kinderen. In ontelbare kinderen. Dat is werkelijk toekomst.

Nieuw en nieuw. Nieuw van tijd en nieuw van kwaliteit. Dat komt hierin bij elkaar. In Klaagliederen. Het ouwe (klaag)liedje wordt plotseling onderbroken door het nieuwe van God. Elke dag is zijn goedheid nieuw! (Kl. 3, 23). God is dus niet eeuwig-oud, Hij is eeuwig-nieuw. Elke dag nieuw te verstaan. En zijn goedheid dagelijks nieuw verstaan en ontvangen, maakt ons, ‘oude zakken’ die we zijn, nieuw. Nieuwe wijn hoort in nieuwe zakken gedaan te worden. Het gaat er niet om of we van ’40, ’60’ ’98, ’21 of van gisteren zijn. Het gaat erom wat we vandaag zijn. Oud of nieuw. Een kerk en geloof die zich met en door het vernieuwende van God laten voeden heeft toekomst. Want God heeft toekomst. Eeuwig is Hij dezelfde, en altijd nieuw!

Van nieuw naar nieuw wordt het, als wij onze kinderen het nieuwe van God gaan leren. En dat kan. Als we zelf dagelijks Gods goedheid nieuw verstaan. 

Her-Schepping

Schimmige schemer
omwolkt de wereld -
een negligé 
van nachtelijke nevel 
omsluiert 
levenloze lippen,
bedekt 
woeste lege ogen -
het ondoorgrondelijke 
naakte bestaan.
een Woord, 
flatteus,
een Licht, 
gracieus,
ademt, 
hartstochtelijk,
een bries 
verlokkelijk
de Geest ontdekt -
leven wordt gewekt - 
Ik tegenover Gij.

In het begin was het Woord

het Woord was bij God

en het Woord was God

Joh. 1, 1
© Johan Duijster 2021

Dat al je dagen vol liefde licht en leven zijn.

Pleuny en Johan

Zomaar een kerstverhaal

Het was volop licht. De schapen deden hun ding. Ze consumeerden onafgebroken en met een bijna onverzadigbare honger in dicht opeengepakte kudden. Harteloze herders (ook wel Big Brothers genoemd) hielden alles nauwlettend in de gaten met hun camera’s en hun megagrote schermen. Waar nodig vulden ze de tekorten aan, zodat elk schaap tevreden bleef consumeren en geen enkel schaap, hoe klein ook, er maar over nadacht om af te dwalen. 

Op andere, meer hoger gelegen plaatsen, waren wereldwijzen (trendwatchers en futurologen) bezig met visie te vormen op de toekomst. Alles wat ze zagen, niet zagen en meenden te zien werd zorgvuldig geanalyseerd en vertaald zodat de grote wereldleiders niet voor vervelende verrassingen kwamen te staan. Ze wilden niets liever dan dat de opeengepakte kudden schapen naar hartelust konden consumeren. Hun goede voorspellingen zouden de vaart erin houden. De welvaart.

En het geschiedde dat ergens een groepje arme wereldwijzen van een niet-wetenschappelijke orde iets duisters ontwaarden, ergens in een uiterste hoek van het universum. Zij raadpleegden hun ernstig verouderdere databestanden en ze ontdekten ondertussen dat het teken dichterbij kwam. Het was van een verbijsterende eenvoud. Het ging gehuld in een mantel die het, naar het scheen, ter bescherming om zich heen had geslagen. De wijzen raakten ervan in de ban en ze besloten het teken te volgen. Want alles wees erop dat er een nieuwe wereldleider was geboren.

De arme wereldwijzen moesten er een lange reis voor maken. Soms meenden ze dat ze het teken uit het oog hadden verloren, maar dan was het er plotseling weer op klaarlichte dag. Groter en donkerder dan de keer ervoor. En eindelijk meende ze te begrijpen waar ze moesten zijn. Natuurlijk, al hun data, hoe oud ook, wees erop. Waar anders zou een groot wereldleider worden geboren, dan in het land waar het meeste voedsel voor de hongerige schapen geproduceerd werd.

En zie, toen de arme wereldwijzen in het land waren aangekomen trokken zij her en der aan bellen van heilige huisjes. Het nieuws bracht aanvankelijk ontsteltenis. Ze werden uitgenodigd in belangrijke vergaderingen. Ze ontdekten dat velen door het nieuws van het teken van slag raakten. Wat moesten ze met het nieuws dat er een nieuwe en grote wereldleider was geboren? Wat zou dat voor hun positie betekenen? Hun eigen wereldwijzen werden aan het werk gezet, maar zij konden niets vinden. Ze ontdekten het teken niet en begrepen de oude datatabellen niet. 

En het geschiedde toen de belangrijkste wereldleiders van de onrust hoorden, dat zij de arme wereldwijzen in het geheim bij zich lieten roepen. Ze gaven hen te verstaan dat ze de wereldorde niet onnodig moesten verstoren en droegen hen op zo snel mogelijk te vertrekken en drukten hen op het hart nooit meer terug te keren. De arme wereldwijzen knikten, geïntimideerd als ze waren door zoveel macht, hielden wijselijk hun mond en gingen weer op weg. Meteen zagen ze het teken weer. Duidelijker en donkerder dan ooit. Ze volgden het teken totdat het plotseling boven een grot bleef staan. Ze traden nederig binnen en zie, ze waren buiten zichzelf van zinnen bij wat ze toen zagen. 

Een figuur, kolossaal corpulent, nauwelijks nog een mens te noemen, badend in vloeibaar goud, omringd met weldadige wierookwalmen, droeg op zijn hoofd, dat glom van vloeibare en peperdure mirre, een schitterende kroon. De kroon bestond uit ontelbare kleine kroontjes en zou een waar kunstwerk zijn geweest als het er niet zo dreigend had uitgezien. Bloedrood en donker stak de kroon af tegen zijn goudgele huidskleur. En terwijl zij diep voor deze figuur bogen gaf hij hen geschenken.

En zie, elk van hen kreeg een kroontje uit zijn kroon van gelijke schoonheid. En hij drukte hen op het hart dat ze de kroon voor zichzelf moesten houden. Als ze dat niet deden, zou dat zeer vervelende gevolgen hebben voor degenen met wie ze hun kroon zouden delen. Hij waarschuwde hen dat als zij toch terug zouden gaan, om hun kroon met anderen te delen, dat de kroon telkens weer een andere vorm zou aannemen, met steeds opnieuw nare gevolgen.

Buiten gekomen en nauwelijks hun schrik te boven geschiedde het dat de arme wereldwijzen toch teruggingen naar de machtigen van de wereldorde. Ze besloten een lange neus te trekken naar deze machtigen, met het bewijs dat ze gelijk hadden gehad. En ondanks de waarschuwing van de nieuwe wereldleider zouden ze hun geschenken niet alleen delen, ze zouden deze weggeven. Om de machtige wereldleiders een lesje te leren. Wie weet zouden ze voortaan een toontje lager zingen. Ja, wie weet zouden voortaan al die volgevreten schapen met hun onverzadigbare honger, en hun harteloze herders, ook een toontje lager zingen.

Opgetogen gingen de arme wereldwijzen haastig heen en gaven hun geschenken met een goddelijk genoegen weg. Met niets waren ze gekomen, met niets gingen ze terug. En ze vervolgden hun weg met grote blijdschap en vertelden niemand wat ze gezien en gedaan hadden.

     

Het heilige gebeurt

Het heilige gebeurt. Deze titel ontleen ik vrij aan en met respect voor de studie van prof. Gerrit Immink, waarover hij schrijft in zijn gelijknamige boek. Verder dan dat ga ik niet. Dat wil zeggen, wat verder volgt is geen recensie of samenvatting van dat boek, maar een bijzondere ervaring van het heilige dat gebeurt. 

We waren inmiddels vijf, misschien wel zes keer, als een Jozua en het volk Israël rond de muren van Jericho, om de basiliek heen getrokken. Want als mijn vrouw iets in haar hoofd heeft bijt ze zich er in vast. Dan houdt ze vol. Ze wilde de basiliek met z’n imposante toren en zijbeuken van binnen zien, hoe dan ook. “Het kan toch niet zo zijn dat de kerk gesloten is, (m)opperde ze na de eerste rondgang. En bij de derde rondgang legde ze haar oor tegen de deur. “Hoor dan, het orgel speelt.” Ik was al te moe om tegen te werpen dat vermoedelijk niet het orgel speelt, maar dat het waarschijnlijker is dat een organist het orgel bespeelt. Elke deur werd hoe dan ook met hernieuwde moed beproefd. Van de grootste tot de kleinste toe. Maar ze bleven op slot. Ik had me er allang bij neer gelegd. De terrasjes voor de kerk lonkten. Het gouden monnikennat had ik al verschillende keren veelbelovend zien schuimen. 

Toen ik richting de eerste de beste vrije plek koerste, hoorde ik een mengeling van knarsen, piepen en opgewonden kreten achter mij. Het zal toch niet…, dacht ik. Maar jawel, bij haar zevende rondgang waren dan wel niet de muren ingestort, maar was wel een klein deurtje opengegaan. Een jonge vrouw stapte naar buiten, samen met een klein kind aan de hand. Ik haastte mij terug. De vrouw bleek niet de organist te zijn, maar de vrouw van de organist. “Helaas, nee”, zei ze. Ze moest weg en we konden niet naar binnen. Hoewel ze enige haast had, stond ze ons hartelijk te woord. Ze nodigde ons uit om de volgende dag naar de mis te komen. Ik gaf aan dat dat ons niet uitkwam. “Ik moet zelf ergens in een dienst voorgaan”, zei ik. “Ah, bent u dominee dan?” De sleutel ging weer richting het slot en ondanks haar haast liet ze ons even binnen. 

Kippenvel kwam direct op. De prachtige hoog gewelfde basiliek, de warme lichtkleuren die door de gebrandschilderde ramen vielen en de klare klanken van het orgel tilden mij op. Als op engelenvleugels. Mijn vrouw vroeg of ik het hoorde? En toen was ik er. Bij de uitvaart van mijn moeder. Ik voelde de linkervoorzijde van de kist weer op mijn schouder duwen toen wij, haar vier zonen en twee schoonzonen, haar uitdroegen. Op de klanken van engelenmuziek. Ooit door Ennio Morricone meesterlijk gecomponeerd voor de film The Mission. Gabriëls Oboe. Nu in de basiliek even meesterlijk uitgevoerd door de organist.

En even was ik weer dichtbij haar. Zo dichtbij als toen we haar uitdroegen. Zo dichtbij als de hemel bij de aarde kan komen. Zo dichtbij als de verbondenheid waarover Jezus spreekt als hij zegt: God nu is niet een God van de doden, maar van de levenden, want voor Hem leven zij allen (Lc. 20, 38)

Zo dichtbij als een deurtje dat openging en het heilige dat gebeurt. Omdat mijn vrouw met een heilige – haast zelotische –  ijver vol bleef houden. Maar bovenal, omdat de Heilige zelf leeft en werkt door de kracht van zijn Geest. 

Huis en hoofd op hol

Goed, we zijn verhuisd. Nou ja, goed? Het goede daaraan is dat we niet telkens meer op en neer hoeven te rijden tussen twee woningen die mijlen ver (om precies te zijn 97 mijl) uit elkaar liggen. Het goede daaraan is dat we niet meer met veel pijn en moeite ons als een slang door een dichte doornhaag hoeven te kronkelen om eindeloze files te vermijden. Het goede daaraan is dat ik op zondagmorgen niet meer zo vroeg mijn bed uit moet, om op tijd te zijn voor de kerken waar ik mijn dienstambt vervullen mag. Het goede is dat ik elke nacht die ik doorbreng in onze nieuwe woning veel beter slaap. Ook al is dat alles bij elkaar veel goeds, het goede houdt hiermee zo ongeveer wel op. 

Wat niet goed is, is dat het huis en daarmee ons hoofd op hol is. Laat ik voor mezelf spreken: dat het huis en míjn hoofd op hol is. Op hol in de zin van hollen. Hollen als verwant met dat hol wat geen grot is, maar doelt op een aflopend deel van een weg, waarop men rustig lopend niet overeind blijft (zegt de DvD). Dat gevoel heb ik dus in mijn hoofd. Ik houd niets meer overeind. Mijn gedachten niet, mijn gevoel niet, mijn huis niet, mijn werk niet. Kortom, chaos in huis en hoofd. De chaos in huis is gelijk aan de chaos in mijn hoofd. 

Met een steek van jaloezie denk ik aan Abraham en Sarah. Dat waren nog eens verhuizers. Elke dag weer je tent op slaan. Vervolgens weer je boeltje oppakken en verder gaan. Ze hollen niet. Welnee, ’t is eerder sjokken. Onverstoorbaar sjokken. Van chaos naar orde. Van land van goden en demonen naar land van de ENE wiens Naam alleen al orde belooft. Nergens lees ik van enige chaos in hun huis en hoofden. Wel lees ik dat de ENE met hen mee gaat. De God die zich door geen grens en chaos laat tegenhouden. De God – schiet mij nu ineens te binnen – die de chaos beetpakt en ordent door te gaan scheiden. Licht bij licht en donker bij duister. Vogels in de lucht en al wat kruipt op de aarde. Water bij zeeën en zand bij woestijnen. Enzovoort, enzovoort. 

Dus heb ik mijzelf nu een goddelijke taak gesteld. Scheiden. Scheiden om ruimte te maken. Scheiden om te ordenen. Scheiden om orde in huis en hoofd te krijgen. Scheiden om weer mens te worden. En terwijl ik daarmee bezig ben, doos na doos, boek voor boek, plank na plank, ben ik ongemerkt gaan sjokken. In mijn hoofd en in mijn huis. Huis op orde, hoofd op orde. Een glimp van het beloofde land. 

Ons moeder, de heilige niet-maagd

Ons moeder. Zo zeggen we dat in Brabant. Waarom? Misschien wel vanwege de heilige maagd Maria. Door Jezus aangewezen als de moeder van Johannes. Hij was niet haar biologische zoon. Maar hij werd haar zoon en Maria werd zijn moeder op het woord van Jezus. Ik las een gebed waaraan dit woord van Jezus wordt gerefereerd: 

God, barmhartige Vader, 

uw eniggeboren Zoon heeft aan het kruis

zijn moeder, de Maagd Maria, aangesteld

tot moeder van ons allen.

Kijk, daar heb je het. Ons moeder dus. Ook mijn moeder is ons moeder. Ook nu ze overleden is,  praten we thuis nog steeds over ons moeder. Want dat was ze voor velen. Niet alleen voor ons, haar eigen zes kinderen. Met haar hartelijkheid, haar open huis, met eten genoeg en een plek aan tafel voor iedereen die binnen kwam lopen was ze ‘ons’ moeder. Ons moeder voor de hele buurt. Ons moeder voor onze vrienden. Ons moeder voor nichten en neven. Ons moeder voor de stratenmakers die voor de deur aan het werk waren. Ons moeder voor de melkboer aan de deur die steevast vroeg of ze lange of korte melk wilde hebben. Ons moeder voor de aardappelventer die regelmatig een mud of wat in onze kelder kwam sjouwen en voor zijn vrouw bij wie ze altijd krulspelden zette. Ons moeder voor vreemde snoeshanen die een nachtje kwamen logeren, omdat er een vakantiereünie van één van haar ‘jeugd’ – dat wil zeggen, één van haar eigen kroost – was. Ons moeder voor de bejaarden van de plaatselijke RK-parochie, die wilden eten van de tafel van de Heer. Ons moeder voor dolende domineetjes en hun gezinnen die zochten te aarden in een streek waar naast Psalmen ook vloeken gezongen worden. Ons moeder voor de vele gasten op allerlei feesten voor wie ze emaille emmers vol van haar beroemde huzaren- of vleessalade maakte. Ons moeder voor haar medebewoners en verzorgers in de verzorgingshuizen waar ze de laatste jaren van haar leven woonde. Ondanks de invloed van dementie bleef ze ons moeder. Zelfs als je het niet meer weet en het toch bent, ja, dan ben je echt ‘ons moeder’. 

Er is veel bij ons moeder aan te wijzen wat haar geen heilige maagd maakt. Dat laatste kun je met zes eigen kinderen al niet aan haar toeschrijven. Het heilige ook niet. Tenminste, niet voor zover je af kunt gaan op haar soms pikante taalgebruik, haar ongezouten mening, haar ondoordachte oordelen over anderen. En ook al zou daar geen sprake van zijn, geen mens is zonder zonde, dus ook ons moeder niet. Toch noem ik haar een heilige.

Binnen de RK-kerk ben je, zo las ik, op drieërlei wijze heilig.
1) Als je na je dood in de hemel bent.
2) Als je gedoopt bent en gelooft dat je leven geheiligd is in Christus.
3) Als je door een kerkelijk instantie/ ambtsdrager heilig bent verklaard. 

Over het eerste ga ik niet. Al geloof ik heilig dat vanwege het tweede punt de hemel heel nabij is. Op dat punt zou ik haar met een beroep op 1 Kor. 6, 11 een heilige kunnen en mogen noemen. Toch wil ik dat niet, want oordeel en genade komen alleen God toe, geloof ik. Op basis van het derde punt zou ik haar als kerkelijk ambtsdrager concreet heilig kunnen verklaren. Maar ja, binnen de spelregels van de RK-kerk geldt het dan niet, omdat ik een protestantse ambtsdrager ben. 

Toch verklaar ik haar vandaag heilig. Want ze was niet zo maar ons moeder. Ze was voor velen ‘ons moeder’. Oké, geen eerstegraads, zoals de maagd Maria die zich over Johannes ontfermde. Maar dan toch altijd nog tweedegraads heilig. Ons moeder, de heilige niet-maagd. Ik mis haar meer dan ik zeggen kan. Maar juist omdat dat ook zo is voor de velen voor wie zij ‘ons moeder’ was, is mijn smart gedeeld. En dat is een grote troost. 

Marco, een strijder Gods

Ken je hem? Marco, bedoel ik. Zo niet, dan stel ik hem met liefde aan je voor. Marco is een man met vele gaven. Hij heeft het vermogen je zo aan te raken, dat je dat nooit meer vergeet. Hij weet je zo te beminnen, zoals een vader en zoals een moeder doen met hun huilend kind op schoot. Hij heeft de kracht je op te tillen, als je wegglijdt in de diepte van je zorgen. Rondom hem gebeuren wonderen van herstel, van heling, van verbinding, van ongedwongen vrolijkheid. Hij leert je anders kijken naar de wereld om je heen. En naar jezelf. Marco, hij is een mens met onbeperkte mogelijkheden.

Maar is moet was zijn. En heeft moet had, weet wist, gebeuren gebeurde, leert leerde zijn. Want Marco heeft de slag verloren. Hij was vanaf zijn tweede tot zijn zevenendertigste levensjaar meervoudig fysiek en geestelijk beperkt door allerlei handicaps. Maar nooit heb ik iemand ontmoet die daar zo groots mee is omgegaan als hij. Hij zei geen woord, maar met zijn ogen en zijn mond, ja met zijn hele gezicht sprak hij boeken vol. En je zat bij hem nooit om een woord verlegen.

Ik wees al op wonderen. Hij overleefde heel wat aanslagen op zijn gezondheid. Tot grote verwondering van artsen en verplegend personeel rondom hem. Zijn spasmen, de hoeveelheid medicijnen, ze moeten hem inwendig tot een oude man hebben gemaakt. Toch bleef hij met onvermoede krachten strijden voor zijn bestaan, voor zijn ouders, voor zijn broers en kleine zus. Voor de vele mensen om hem heen.

De vele mensen om hem heen. Ook zo’n wonder. Marco had meer vrienden dan ik namen in mijn contactenlijst heb staan. Dan de meesten onder ons in hun contactenlijst hebben staan. Want contacten zijn nog geen vrienden. Marco had er werkelijk honderden. Onder hen deed hij zijn naam alle eer aan. Hij was een strijder. Een vechter, een knokker die onvermoeibaar liet zien wie werkelijk een beperking heeft en wat een beperking eigenlijk is. We zouden kunnen zeggen, op zijn smalst toonde hij ons op z’n grootst wat menswaardigheid is.

Marco had onvoorwaardelijk lief. Dat was altijd van zijn gezicht te lezen. In zijn onbevangen, onvoorwaardelijke lach. Zo was hij een strijder voor Gods zaak, die nog altijd mensen zoekt zoals Marco. Die willen strijden voor zijn Koninkrijk. Door onvoorwaardelijk lief te hebben. Met een liefde die onbeperkte mogelijkheden biedt.

Marco heeft op 22 maart een slag verloren, maar hij heeft de strijd gewonnen. Voor altijd is hij een strijder Gods. En dit is, wordt nooit was!

Voor Marco


Jij raakte mij aan
zonder handen
Jij kuste mij 
zonder lippen
Jij tilde mij op
zonder armen


Je hebt mij
voor altijd bewogen 
door het 
mededogen
van jouw 
onbevangen lach. 

We are Borg

  • wie liever Netflix kijkt en/ of van complottheorieën houdt, kan beter niet verder lezen

De sciencefiction-serie Star Trek, die tussen 1966 en 1969 een basis legde voor haar succes in de daarop volgende decennia, is met allerlei technologische vondsten haar tijd ver vooruit en met een aantal technologische hoogstandjes haar tijd ver vooruit geweest. Neem bijvoorbeeld de tablet in handen van Captain Picard eind tachtiger jaren. Niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Of de communicatiebadge op de revers. Deze wordt inmiddels in verschillende ziekenhuizen gebruikt. Het holodeck kennen we vandaag als virtual reality. De pratende computer mag ook niet ongenoemd blijven. Die spreken we vandaag aan met “Hey Siri”, of “Hey Google”. Waarop de computer ons vraagt: “Wat wil je dat ik voor je doe?” Ik herinner me ook de universele vertaler. Die maakte het mogelijk om met buitenaardse wezens te communiceren. Vandaag hebben we handige vertaal-apps. Met buitenaardse wezen communiceren we nog niet, alhoewel…

Niet dat ik in buitenaardse wezens (aliens) geloof. Evenmin wil ik hun bestaan ontkennen. Wie weet wat er is achter ster en maan? Die vraag is ons te vaak – in de all-time-high-uitvaartsmartlap – door Mieke Telkamp, maar ook terecht gesteld. Het antwoord kennen we niet. Maar één ding weten we wel. Het duurt niet lang meer of we maken kennis met The Borg. Of liever, we kennen ze al. Hoewel er niet op aangelegd (zie Genesis 2), The Borg zijn we in potentie zelf. In Star Trek zijn het de vaak wat afzichtige wezens (op Jenny Ryan na) die geen eigen brein hebben, maar met elkaar samen delen in één collectief weten. Met als doel het bereiken van perfectie. Een Borg is dan ook geen individu, maar maakt deel uit van het ‘Collective’. Welnu, in een rap tempo worden we tot Borg getransformeerd. Nee beter, geassimileerd. Dit proces gaat in Star Trek via operatieve ingrepen, via gijzeling en onderwerping en via injecties gebaseerd op nanotechnologie.

het instrument dat protocol heet gijzelt en onderwerpt de kwetsbare individu én de uitvoerders van de wet

Maar wacht even. Wij beschouwen onszelf vandaag als ver doorontwikkelde individuen. We zien onszelf helemaal niet als Borg. Want een individu is precies het tegenovergestelde van het collectief Borg. Echter, tussen beschouwing en werkelijkheid zit een universum van verschil. Laat ik een aantal werelden in dat universum noemen. Achter het wereldwijde web zitten diepingrijpende operaties die onze activiteiten op het web monitoren en vastleggen in het collectief geheugen van kapitaalkrachtige investeerders, retail-multinationals, brands, overheden en wat niet al meer, tot aan, schrik niet, criminele syndicaten toe. Er worden profielen van iedere webgebruiker opgebouwd op verschillende collectieve digitale fora. 

Maar dat wisten we natuurlijk al en we vinden het niet erg. We doen er zelf enthousiast aan mee. Want daar tegenover staan heel veel likes en een grotere bekendheid dan we ooit durfden dromen. Ik geniet er ook van. Ik vind het zelfs fijn om geprofileerd te worden. Het levert mij bijvoorbeeld op Apple Music precies die muziek die ik graag wil horen. Op Netflix de films en series die ik graag wil zien. Het wordt zelfs voortdurend bijgewerkt. Men kent mijn muzikale en filmische voorkeur. En daarmee dus ook mijn verschillende gemoedstoestanden. En daarmee dus ook in toenemende mate mijn psychologisch profiel. We are Borg

Reclames bieden aan wat ik graag wil hebben. Zo doet mijn voormalige werkgever zich voor als vrolijke verjaardagsvisite met wekelijks een daverende verrassing in de vorm van een Bonus Box. En het collectieve geheugen van de banken kent mijn uitgavenpatroon, weet zelfs waaraan ik mijn geld uitgeef en bewaart mijn financieel (wan)gedrag in hun collectief geheugen voor het geval dat. We are Borg

Niks nieuws tot nu toe. Inmiddels wordt ook steeds meer duidelijk dat het collectief geheugen en de systemen daarachter van o.a. de overheid, van de gezondheidszorg en van zorgverzekeraars, die al onze kwalen en ziekten liever rijk dan kwijt zijn, niet zo op het individu gericht zijn als ze doen voorkomen. Een verontrustend voorbeeld daarvan is de toeslagenaffaire. Mensen werden en worden tot de afgrond gebracht, omdat het systeem nu eenmaal zo werkt. Een goede vriendin van mij die al ruim 30 jaar beperkt is en zich staande moet en weet te houden met hulphonden die ze zelf opleidt, rolstoelen en fietsen die ze zelf mee ontwerpt en zorg die ze zelf inkoopt, moet zich nog steeds elk jaar als een stuk vee medisch laten keuren om Wmo-ondersteuning/ pgb te krijgen. En dat terwijl bekend is dat haar ziekte progressief is. Maar ja, het instrument van het collectief dat protocol heet, zonder welke geen enkele ambtenaar meer fatsoenlijk zijn werk (b)lijkt te kunnen doen, gijzelt en onderwerpt het kwetsbare individu én de uitvoerders van de wet. De laatsen, omdat ze zelf niet meer mogen nadenken. We are Borg

achter de vaccinaties doemt een ander, een gevaarlijker scenario op

De nieuwste stap naar het collectief is de pandemie. Het begint er aardig op te lijken dat we steeds minder ruimte krijgen om vrije keuzes te maken. Gelijke monden, gelijke kappen. Oké, ik geef toe, je mag zelf nog een patroon erop kiezen. De Coronavirus-apps zijn goed bedoeld, maar hoe goed beveiligd ook, ze maken gebruik van het wereldwijde web. En dan is er de injectie. Ik ga niet mee in allerlei kolderieke complottheorieën. Die daargelaten, achter de vaccinaties doemt een ander, een gevaarlijker scenario op. Het scenario van beperking. Beperking van keuzevrijheid onder druk van de dwingende algemeen geldende opvatting van het collectief, dat het schandalig is en asociaal om je niet te laten inenten. En heus, ik weet dat er ook allerlei ethische argumenten vóór inenting te noemen zijn. Maar gedwongen worden tot inenting als je naar een concert, de kerk, een restaurant, een museum, een pretpark of een stadion wilt? Zit ik daar op te wachten? Misschien stiekem wel. Want dan doe ik het niet en ben ik weer een beetje meer individu. Dat is een stapje terug naar hoe we bedoeld zijn. Mensen die zelf, binnen de wet van de liefde die God, de naaste en jezelf geldt, in vrijheid hun eigen keuzes kunnen maken. Of zou de symboliek van de kiesboom in het midden van de Hof van Eden (Genesis 2, 16-17) anders zijn bedoeld?

In Star Trek is het collectief The Borg zo’n beetje de grootste vijand binnen het universum. Ik schat de mensheid niet langer veel minder in. Maar goed, het bereiken van perfectie mag wat kosten. We are Borg.

Liefde

Liefde, Gij die mij tot beeld van 
uwe Godheid hebt gemaakt.
Liefde, Gij die mij zo mild hebt
na de val nieuw aangeraakt
Liefde, aan u geef ik mij.
Eeuwig wil ik bij U zijn.

Liefde, Gij hebt mij verkoren
Eerder dan ik werd gekend.
Liefde, Gij die in een mens mij
naderbij gekomen bent.
Liefde, aan u geef ik mij.
Eeuwig wil ik bij U zijn.

Liefde, die mij vrolijk opwekt
uit het graf van sterfelijkheid
Liefde, die mij leven toelacht
met uw lach vol Geestigheid.
Liefde, aan U geef ik mij.
Eeuwig wil ik bij U zijn.

(vertaald naar Gotteslob: Gesäng 787 vs. 1 en 2. Vs. 3 een vrije vertaling van vs. 6; melodie Gezang 107 Hb. '38)