Het raam van de tijd, de deur van nu, een venster op de eeuwigheid

‘De tijd (…) heelt niet. De tijd is slechts een raam waardoor we onze eigen fouten kunnen zien, want dat schijnen de enige dingen te zijn die ons helder voor de geest blijven staan.’

Wat blijft je het langste bij? Dat hangt o.a. af van wie je bent. Hoe je karakter is. Een narcist, bijvoorbeeld, zal zich altijd herinneren hoe geweldig goed hij/ zij is. Een politicus zal zich waarschijnlijk weinig tot niets herinneren sinds de uitvinding van de niet-actieve herinnering. En een mens die aan het verdrietige verloop van dementie onderworpen is, gaat terug tot de allerkleinste herinnering uit een ver verleden en maakt die groot, maar herinnert zich niet meer dat hij die herinnering zojuist voor de honderdste keer die dag met zijn al dan niet aanwezige publiek gedeeld heeft. 

Hoe dan ook, normaal gesproken – maar wat is vandaag nog normaal? – hebben we allemaal een gezonde portie actieve herinneringen. En afhankelijk van je karakter in relatie tot je specifieke ervaringen die onderdeel zijn van je biografie, herinner je je het één meer dan het ander. Karakter en opvoeding spelen daarbij een belangrijke rol. Bij sommigen staan negatieve gebeurtenissen hen helder voor ogen. Sommigen herinneren zich de negatieve ervaringen wel, maar stoppen ze weg achter veel positief lawaai. En er zijn mensen die het gelukt is hun negatieve ervaringen werkelijk weg te stoppen. Vraag je er naar, dan weten ze het niet, zeggen ze dan.

Maar er is een belangrijke factor. En dat is de tijd. Er wordt weleens gezegd, ‘de tijd heelt alle wonden’. In zekere zin is dat zo. De wonden helen. Toch blijven die zichtbaar. Ze zijn zichtbaar als door een raam in de tijd en ze herinneren ons aan wat er is gebeurd. Weggestopt of niet weggestopt. Want de tijd doet z’n werk. Langzaam maar zeker wordt de tijd een raam waardoor we meer en meer onze fouten gaan zien. 

Iemand zei me eens vlak voor zijn dood: “Ik heb dingen gedaan die niet goed zijn. En ik kan ze je niet vertellen.” Door het raam van de tijd stonden ze hem pijlijk helder voor ogen. Pijnlijk helder als de strop, scherp als het mes van een guillotine op de oordeelsdag van een ter dood veroordeelde. En inderdaad, wat we door dat tijdsraam zien, zijn vooral de eigen fouten. Die staan ons helder voor de geest. Die ballen samen tot twee vuisten. De ene heet schuld, de andere schaamte. En elke slag die ze slaan is raak. 

Maar de tijd is meer dan een raam. Ze is ook een deur. Een toegang tot de ruimte die we door het raam zien. De toegang tot je eigen fouten die je door het raam van de tijd helder voor ogen gesteld worden. Die deur binnen gaan geeft je de gelegenheid om je eigen fouten op te ruimen. Om de wonden die ze slaan te verbinden. Door jezelf te vergeven. Het valt mij op dat gelovige mensen vaak God bidden om vergeving. En ondertussen kunnen ze jaren lang God blijven vragen om vergeving voor dezelfde fouten. Alsof God vergeten zou zijn dat Hij nog wat te vergeven had. Dat komt, omdat we maar heel moeilijk in staat zijn om onze eigen fouten onszelf te vergeven. Omdat we zelf moeilijk in staat zijn tot een gezonde dosis eigenliefde. 

Al in heel wat situaties heeft God door alle tijden heen Zijn Woord ons voor ogen gesteld. Als het gaat om jezelf te leren vergeven kunnen de woorden uit  Klaagliederen 3, 22-23 ons te hulp komen: 

De HEER bewijst zijn liefde: wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen einde.

Elke morgen schenkt Hij nieuwe weldaden. – Veelvuldig blijkt uw trouw!

Bij God gaat het niet om het leven in het verleden. Wij zijn nog in leven! Het gaat om nu. Niet om gisteren. Niet om de resultaten uit het verleden. Elke dag begint met nieuwe weldaden van God. Vergeving op vergeving. Gisteren is voorbij. Als we dat verstaan kan het ons helpen om door de deur van het nu de ruimte in te stappen, die we door het raam van de tijd waarnemen, en om daar onze eigen fouten op te ruimen die in al hun wanstaltigheid tentoongesteld liggen. 

Als dat gedaan is kan de deur achter ons gesloten worden. En een venster wordt geopend. Een venster op de eeuwigheid. 

If God had wanted man to fly

Samen met de vrouw die met een dominee getrouwd is, zat ik in het Duitse Sauerland in een lichtsauna, omgeven door een heerlijke warmtedeken van 65 °C. Gaandeweg het half uurtje dat ik van dit warme welzijn genoot, veranderde de lichtkleuren van rood, naar paars, naar geel, naar groen, naar blauw en weer naar rood, of zoiets. Ik vroeg mijn saunagenoot, die meer verstand heeft van dergelijk licht: “Waarom zou dat licht telkens van kleur veranderen?” Ze zei: “Volgens mij is dat om je inspiratie te stimuleren. Je krijgt creatieve gedachten.” Toen stokte ons gesprek. Op dat soort ‘wellness wetenschap’ ben ik niet aangelegd. Wat mij restte was mijn tijd gedachteloos uitzitten, wat overigens geen straf was. 

Later, na het ijskoude dompelbad wat wel het gevoel van straf gaf, lag ik bij te komen in de rustruimte. Ineens, zomaar ‘aus Blaue hinein’, moest ik denken aan een quote uit de James Bond-film Diamonds Are Forever: ‘If God had wanted man to fly, he would’ve given him wings.’ Ik dacht er wat op door:

Goede voornemens would wants

  • Als God gewild had dat we zouden roken, dan had Hij ons een kachelpijp en geen luchtpijp gegeven (voornemen: stoppen met roken).
  • Als God gewild had dat carrière maken ons ultieme levensdoel is, dan had hij ons geen gezin, geen familie en/ of geen vrienden hebben gegeven (voornemen: meer tijd voor mijn gezin/ familie/ vrienden).  
  • Als God gewild had dat ik anders was, dan zou Hij mij wel anders gemaakt hebben (voornemen: jezelf nemen zoals je bent en anderen zoals zij zijn).

Altijddurende would wants

  • Als God gewild had dat we niet zouden geloven, dan zou de aarde plat zijn geweest en het universum eindig.  
  • Als God gewild had dat we niet zouden hopen, dan zou Hij ons geen besef van tijd en een leven zonder toekomst gegeven hebben. 
  • Als God gewild had dat we niet zouden liefhebben, dan zou Hij ons alleen op de wereld hebben gezet, en zonder de schoonheid van al het geschapene. 

Ik keek naar de vrouw naast me, die met een dominee is getrouwd, en ik dacht: ‘Zou ze gelijk hebben gehad met haar wellness wetenschap? Of zou ander licht mij geïnspireerd hebben? 

Niet over één nacht ijs

Zomaar viel ze uit de lucht. De kou. Ze deed zich voor als vorst. Want het was vorstelijk koud. Een wonder! Van taal, welteverstaan. Want terwijl kou vrouwelijk uit de lucht valt, wordt ze zomaar als vorst laag bij de grond mannelijk. Voor zo’n taalverschijnsel bestaat geen goed woord, geloof ik, maar goed, zo belangrijk is dat ook niet. Even plotseling als de kou uit de lucht viel was de kou ook weer uit de lucht. Slechts een paar nachtjes ijs en het was weer voorbij. 

Het was dat typische fenomeen waarover ik, na een nacht van acht graden onder nul, overdag bij acht graden boven nul over na moest denken. Als in een melancholieke mijmering. Buiten wilde het maar niet licht worden. De regen besproeide de nog bevroren aarde met warm water, zo leek het. En weg was het ijs. En de ijspret. 

Geloof is ook zo’n typisch fenomeen. Een wonder van meer dan taal. Want wat ons als goddelijk heil uit de hemel valt, wordt zomaar als Kind levend Woord op aarde. Daar is wel een goed woord voor. Verzoening. Omdat God in Jezus Christus de wereld met zichzelf verzoent! Is dat belangrijk?

Nog even de vergelijking met het fenomeen van kou en vorst en de snel voorbijgaande ijspret. Ons geloof in een goddelijk Kind, vrede op aarde, verzoening, en alles wat daarbij hoort, vertrekt vaak met de snelheid van de eerste vuurpijl die de hemel inschiet nog voor het nieuwe jaar aanbreekt. Slechts een paar dagen geloof en dan is het weer voorbij met de pret. 

Godzijdank hangt verzoening niet af van ons geloof. God gaat wat dat betreft niet over één nacht ijs. Zijn geloof is zo groot en duurzaam als Zijn welbehagen in mensen is.

Happy Holidays

Vrede en Vreugde, Moed en Kracht, Zalig Kerstfeest en een Gelukkig Nieuwjaar, Guten Rutsch en Happy Holidays, Geloof, Hoop en Liefde, deel het tezamen !

Een bedenkelijk rijtje

Iemand zei mij onlangs: “Het draait in de wereld maar om drie dingen. Ik noem ze altijd de drie ‘K’s’.” Ik moest over die K-afkortingen even nadenken. Maar ik kwam er al snel achter dat het ging om wat wij noemen Religie, Geld en Seks. De drie K’s dus, de Kerk, het Kapitaal, en de derde K laat ik hier fatsoenshalve maar onvertaald. Het schudde in mij echter wel de herinnering aan de uitspraken van mijn moeder wakker. Zij hanteerde een kortere versie van deze volkswijsheid. Volgens haar zeggen draait het in de wereld alleen maar – en ik hanteer nu vanwege het begrip de ongekuiste versie – om de ‘duit en de fluit’. Dat wil zeggen ‘geld en seks’. De verkorte visie van mijn moeder zal wel te maken hebben met de streek waar zij opgroeide. En nu ik erover nadenk, begrijp ik haar versie zonder de K van kerk wel. De kerk had onder het vroomvrolijke volkje van Brabant niet zoveel impact. Daar werden meneer pastoor cs. natuurlijk wel vroom aangehoord, maar men deed vrolijk wat men zelf goed voor het leven achtte.

De drie ‘K’s’ dus. Een bedenkelijk rijtje. Want maakt de kerk werkelijk deel uit van de instrumenten van het kwaad die de wereld met veel macht regeren? De invloed van geld en seks schreeuwen dagelijks in het nieuws om aandacht. Maar jammer en helaas voor alle vromen, piëtisten, puriteinen en heiligen onder ons, dat geldt ook voor de kerk. In een wat ruimere opvatting mag je het ook religie noemen. Feit blijft dat heel wat mensen door machtszieke kerkelijke en religieuze instituten – en personen die er onlosmakelijk mee verbonden zijn – beschadigd zijn. En derhalve completeert de kerk met haar afkortingsletter K het bedenkelijke rijtje van de drie K’s. Je zou ze ook de macht van de drie G’s, Geloof, Geld en Genot, kunnen noemen, maar dat verandert niets aan de bedenkelijkheid van het rijtje en de gevolgen ervan. 

TaRaBa, ook zo’n bedenkelijk rijtje. Tamar, Rachab en Batseba. Ze komen op uit de stamboom van Jezus. Vrouwen die alledrie in verschillende variaties een bedenkelijke seksuele snaar bespeelden. Ruth zou er ook aan toe te voegen zijn. Ook zij wordt in één adem genoemd met de andere drie vrouwen.  Maar wat haar betreft houd ik de adem even in. Omdat ik niet weet wat er ’s nachts op de dorsvloer bij Boaz gebeurde (Ruth3,7-9), al doet de kunstige vertelling iets van verleiding vermoeden. En dan is er natuurlijk nog een vijfde vrouw met name genoemd. Maria. Een meisje notabene. Die de schande over zich afgeroepen weet als zij tot de engel Gabriël zegt: “De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.” Ook al is haar zwangerschap van Godswege, wordt het een onbevlekte ontvangenis, vanuit de achtergrond van de morele mores van de tijd van Maria hoort ze al de schandpraatjes die haar, Jozef en hun beider families zullen begeleiden. 

In zo’n bedenkelijk rijtje waarin de macht van verleiding, seksuele ontsporing en schandpraat vermoed wordt, grijpt God de macht. En hoe! Hij komt met een kind op de proppen. Zo gaat Hij in tegen de macht van religie, geld en seks. Bij God gaat een kind de was doen. Want er moet heel wat schoongewassen worden. Door machtsmisbruik is alles besmeurd en zijn mensen beschadigd geraakt. Gekleineerd, onteerd en gecorrumpeerd. En dit kind dat geboren wordt, juist uit onaangetaste zedelijke schoonheid en reinheid, zal fundament worden waarop God een kerk gaat bouwen. Zijn Kerk. En het is net zoals met Zijn Kind, opkomend uit een ‘bedenkelijk rijtje’ (in de Bijbel heet dat in zonde ontvangen en geboren, Ps51,5 en 2Kor5,21), dat de Kerk in datzelfde bedenkelijke rijtje wordt geplaatst.

De Kerk staat dus in een bedenkelijk rijtje. Omdat zij niet meer is dan haar Heer. En wij, die samen die ene Kerk vormen, hebben geen andere opdracht dan, om staande in dat bedenkelijk rijtje van de macht van religie, geld en seks, de macht te laten gelden van de dienstbaarheid. Door in te gaan tegen hen die het kleine en verlorene niet eren. Door op te komen voor de machtelozen en ontrechten, door een beschermende mantel te zijn voor de onteerden en een wacht tegen de ontaarden, en door de naamlozen bij naam te noemen. Zo wordt de Kerk een plaats van vrede en een toonplaats van Gods welbehagen in mensen.  

Dat brengt ons bij nog een K. De K van Kerst. Wie de K van Kerst deelt (Jes53), optelt (Joh1,16) en vermenigvuldigt met de drie K’s van het bedenkelijk rijtje (Lc1,51-52a), en daar weer de wortel uit trekt (Jes11,3) komt uit bij het Kind van Bethlehem (Jes9,5). Wordt uitgenodigd om met Hem de weg te gaan van Kribbe naar Kruis en verder, naar het Koninkrijk van God!

Mens met Naam

Er is onnoembaar veel leed in de wereld. Graag zou ik het anders zien. Maar dat lukt mij niet. Niet omdat het leed niet te benoemen valt. Dat is op zichzelf niet het grote probleem. Leed is benoembaar. Omdat we het tegenkomen in allerlei vormen van kwaad. Vormen, verschijningen, ervaringen van kwaad die we vervolgens kunnen verdelen en onderverdelen. Daarom eerst even een korte excurs. 

Het benoembare leed

Mijn leermeester in de Godsdienstwijsbegeerte, prof.dr. Marcel Sarot, classificeert het kwaad onder vier noemers. Metafysisch kwaad, pijn en lijden, non-moreel en moreel kwaad. Hij benoemt nog een vijfde, het karakterologisch kwaad. Onder dit laatste zou je bijvoorbeeld de aanleg tot verslaving kunnen noemen die soms in bepaalde families voorkomt als een aangeboren neiging. Maar deze vorm zou evengoed onder metafysisch en/ of moreel kwaad geclassificeerd kunnen worden. Onder moreel kwaad verstaan we wat we in de joods-christelijke traditie zonde noemen. Non-moreel kwaad is dat wat ons in feite overkomt. Vaak ook wel ‘natuurlijk kwaad’ genoemd. Toch is het beter te spreken over non-moreel kwaad, omdat een tsunami of een orkaan in feite tot het eigene van de natuur behoort. Pijn en lijden hebben betrekking op onze mentale en fysieke gesteldheid. Het metafysisch kwaad komt voort uit de onvolmaaktheid en eindigheid van alle leven. Kijk, nu hebben we het allemaal netjes benoemd en kunnen we allerlei verschijningsvormen van leed verder gaan onderverdelen. Dus daarin schuilt het onnoembare niet. 

Het onnoembare leed

Het onnoembare schuilt in alle naamloze mensen die lijden. Het onnoembare schuilt in elk systeem dat de mens niet in de context ziet van meer, dan dat wat hij/ zij mankeert. Dat wil zeggen, de mens is niet meer dan een geval, een nummer, een casus, een interessant object voor verdere wetenschap. Het onnoembare doemt op in samenlevingen waarin we mensen die onder een viaduct slapen zwerver, degenen met een fles Port op een bank in het park alcoholist en vreemdelingen zonder status vluchteling noemen. Het onnoembare schuilt in een zorgstelsel dat zelf lijdt aan een vorm van geheugenverlies in een bedenkelijk stadium. Omdat  het mensen met een levenslange progressieve beperking toch jaarlijks oproept om zich als vee te presenteren voor een keuring die alleen maar, en opnieuw vaststelt dat de beperking er is en/ of is toegenomen (zie hiervoor bijv. mensmetnaam.nl). Zij voelen zich niet erkend en gekend als mens met naam.

Kerst als naamfeest

Eén van de belangrijke dingen die we kunnen leren uit hoe God zich aan de wereld openbaart, is echter het belang van mens met naam te zijn. Daar zijn tal van voorbeelden van te noemen in de Bijbel. Maar het meest prominente voorbeeld daarvan zien we in de komst van Jezus. Het komen van Jezus in onze wereld zegt: Ik heb jou gezien (Psalm 139). Ik heb jouw lijden gezien (Exodus 3, 7). Ik ken je naam. Ik noem je bij je naam (Jesaja 43, 1 – Johannes 20, 16). Kerstfeest is dan ook niet zozeer Lichtfeest, maar vooral het Naamfeest van God. JHWH! Ik zal er zijn, wordt Immanuel. Met het komen van Jezus in onze wereld laat God zien dat Hij ons ziet als meer dan zondaars alleen. Het ligt besloten in de naamgeving van Zijn Zoon. Jezus, Ik zal er reddend zijn! Met de naamgeving van Jezus zegt God ons dat Hij alle mensen die naamloos lijden ziet, hoort, troost, bemoedigt, draagt en recht zal doen. Het belang van mens met naam te zijn brengt Jezus zelf op bijzondere wijze in Matteüs 25 tot uitdrukking. Daar verbindt Jezus zijn naam aan allen die naamloos lijden. Alles wat jullie gedaan hebben voor een van de geringsten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor Mij gedaan (Matteüs 25, 40).

Een opdracht voor ons allemaal

De opdracht ‘je moet Hem Jezus noemen’, die Jozef en Maria beiden (!) van Godswege krijgen, is een opdracht voor ons allemaal. Die begint met elk mens te zien als meer dan zijn gebrek. Of dat nu een vorm van lijden, een bepaalde beperking en/ of een hopeloze leefomstandigheid is. Anders gezegd, de mens is meer dan een typisch geval van honger, dorst, ziek, naakt, op de vlucht, zondig of mislukt. De mens is een mens met naam aan wie Jezus zijn naam in woord en daad verbonden heeft tot redding. 

Ten slotte drie vragen. 1) Willen we ons door Hem als mens met naam laten aanspreken? 2) Wat zou dat met het onnoembare leed doen? 3) Zou het antwoord op die laatste vraag al niet door de jonge Maria, de moeder van Jezus, gegeven zijn? Leestip: Lucas 1, 46-55.    

Consument of communicant

De klant is géén koning!

Zo…, dat is eruit. Het moe(s)t een keer gezegd worden. Dat gezegd hebbende, weet je het wel. Verbaasde blikken, geïrriteerde reacties, mensen direct in de weerstand. ‘Hoezo niet? Hoe kom je aan die onzin? Ik zal je eens even vertellen hoe…’, en dan komt het. Een ervaring met een winkel, een leverancier, een ondeugdelijk product…, etc. Maar voordat iedereen in de weerstand schiet, verhalen begint te vertellen die aantonen hoezeer ik ongelijk heb en uit protest hier stopt met lezen, zal ik deze uitspraak die alle recht van spreken heeft even toelichten. Voorzien van de juiste context. 

De klant is géén koning in de kerk. Ik geloof dat veel mensen nu zullen zeggen, ‘je hebt gelijk. Want de kerk is geen vermaakzaak. Geen winkel van Sinkel. Geen antiquariaat dat oude teksten voor elk aannemelijk bod weg doet, waar God Malle Pietje is.’ En toch, dat wij minimaal 15 uur per dag consument zijn – van het vroeg gegeten dagelijkse brood tot en met de laatste scrolls bij Bolpuntcom vlak voor het slapen gaan – heeft ons kennelijk in de kieskeurige kleding geperst van de klant die koning is. Kleding die we niet zomaar meer van ons afschudden. Want blijkbaar zit dergelijke kleding lekker royaal, en omkleedt ze je met de status die hoort bij iemand die veel noten op zijn/ haar zang wil hebben. Waar iedereen morst, ben jij de vorst. Het is dan ook niet vreemd dat we ons meer en meer gaan gedragen als consumenten. Ook in de kerk.

Maar de kerk is anders. De kerk belijdt maar één Koning. En die Koning is dan ook nog de Koning van de dienstbaarheid. Hij zegt niet, ‘laat je door Mij dienen’, maar ‘dien Mij door net als Ik te doen’. In de kerk zijn we geen veeleisende consumenten met de status van een koning, maar zijn we communicanten met de status van een bedelaar. In de kerk hebben we geen noten op onze zang, maar krijgen we noten voor onze zang. In de kerk nemen we deel aan het Koninkrijk van de Koning van de Kerk. Dat doen we als we communiceren. In zang, in Woord, in gebed. In Doop en Avondmaal die we heilig noemen, omdat het initiatief van de Koning zelf uitgaat. Daar kun je als consument alles van vinden, maar alles wat je er van vindt, breng je bij de Koning. In Woord en Sacrament, in ruimte en rituelen. 

Als kerk-zijn alleen iets is voor de zondag, zou ik nu stoppen. Maar het belangrijkste komt nu. Kerk-zijn, dienstbaar zijn aan de Koning van de Kerk doortrekt heel het leven. Alle dagen. Alle rolpatronen. En niet in de laatste plaats die van consument. Elke kerkganger zal dat braaf beamen. Zoals ik wel vaker hoor aan het einde van de dienst. ‘Dat hebt u nou eens goed gezegd dominee.’ Ik heb dan altijd de neiging om te vragen: ‘Voor wie heb ik het goed gezegd?’ Of: ‘U trekt het zeker uzelf nogal aan?’ Want, helaas, al direct na het laatste amen van de dienst tot de eerstvolgende votum en begroeting een week later, communiceren we niet meer in dienstbaarheid, maar dicteren we als koning Klant. Om het maar klip en klaar te zeggen: ‘U staat ingeschreven als ‘actief’ dooplid/ belijdend lid. Nergens staat vermeld: actief consumerend. Dus hoe actief bent u eigenlijk?

U merkt het, ik spreek u met U aan. Dat is een onverwoestbaar overblijfsel, denk ik. Het is nog iets uit de tijd dat ik werkzaam was bij de grootste kruidenier van Nederland. Die al zijn klanten als koningen behandeld wil zien. Je moet in alle toonaarden daar duidelijk over zijn. Op het gevaar af dat ik u met het U teveel herinner aan de koninklijke status van consument, vraag ik het zo: Waar ben JIJ in de kerk? Hoe actief betrokken ben JIJ? Hoe dienstbaar aan de Koning ben JIJ? Is de kerk er alleen voor JOU? Of ben JIJ er ook voor de kerk? Voor de gemeente en de gemeenschap? Voor de Koning en al zijn onderdanen? 

Dus wat wil je nou eigenlijk? Consument zijn die ook in de kerk als koning behandeld wil worden, of communicant zijn die koninklijk dienstbaar wil zijn, zoals de Koning zelf? Het is het één of het ander. En om het maar klip en klaar met het Woord van de Koning zelf te zeggen: ‘Wie niet voor Mij is, is tegen Mij’. Prachtig hoe in alle toonaarden de Koning duidelijk is naar ons, zijn ‘klanten’. Dan kun je als consument zeggen: ‘Nou, als het zo moet, dan wil ik geen lid meer van een kerk zijn.’ Als communicant kun je ook zeggen: ‘Hoe mooi is het om samen in dienstbaarheid aan elkaar Koningskinderen te zijn!’

Ben je lid, dan doe je mee. In dienstbaarheid. Aan de Koning en zijn Kerk. En Hij stelt geen functie-eisen. Er zijn kerkleden boven de tachtig die nog altijd actief meedoen in het pastoraat. Er zijn kinderen, amper 12 jaar, die mee willen draaien bij de oppasdienst. Er zijn mensen met een beperking, die hun beperking niet willen gebruiken om maar niets te hoeven doen. Er zijn mensen met een overvolle agenda, die er toch nog wel iets bij willen doen in de kerk. Allemaal in dienst van en aan de Koning en zijn Koninkrijk.

Hoeveel mensen uit het ledenbestand van de kerk blijven er, denk je, dan nog over die klant en koning (= consument) willen blijven? Waarschijnlijk meer dan je denkt. Maar die doen nu niet mee. Het antwoord begint bij jezelf. Bij jou, bij mij.

Van nieuw naar nieuw

Een nieuw jaar is begonnen. Maar hoe nieuw is nieuw? Hoe nieuw is nieuw als alles bij het oude blijft? Sterker nog, nieuw blijkt goed beschouwd niet nieuw maar ouder te zijn. De wereld is met de aanvang van het nieuwe jaar een jaar ouder geworden. En alle mensen, ook zij die met botox, facelifts en plastisch chirurgie zichzelf ‘vernieuwen’ om het tegendeel te bewijzen, zijn er geen rimpel jonger op geworden. Wel ouder. 

Toch houden we van nieuw. Daar hangt de wereld van aan elkaar. Sommige mensen kopen bewust geen goed bankstel. Waarom zou je? Liever over drie jaar weer een nieuw bankstel. Nieuw is voor de gadget- en elektronicamarkt het grote toverwoord. Als Apple iPhone 14 roept, staan meteen miljoenen potentiële klanten te trappelen van ongeduld om het aangekondigde nieuwe type te kopen. Kortom, zonder de vraag naar het nieuwe zou de economie in elkaar storten. Zou onze wondere wereld weer tot een ondefinieerbare tohoe wabohoe – woeste ledigheid – verworden. En dan hebben we het nog niet eens over de goede voornemens. Elk jaar beginnen we ermee, omdat we een soort nieuwere ik willen zijn. Een ik 3.1 of 21.6 of 61.9. 

Hoe zit dat met de kerken? Hoe zit dat met het geloof? Daar gaat het helemaal mis. Voortdurend komen de laatste decennia boeken op de markt met theorieën en praktijken die de kerken en het geloven moeten vernieuwen. Maar telkens blijken ze nieuwe wijn – of meer nog, aangelengde wijn in oude zakken te zijn. En die gaan scheuren. Gevolg? Het nieuwe verdwijnt met het oude. Nader bezien werkt het ook niet. God is, hoe zeg je dat, al eeuwig-oud. Altijd dezelfde. Onveranderlijk. De Bijbel is een eeuwenoud boek. Geloven en kerk-zijn komen in feite neer op altijd hetzelfde. Hoe gaan we geloven en kerk-zijn vernieuwen? 

De vraag is dan eerst wat nieuw is? De tekst over nieuwe wijn in oude zakken (Matt. 9, 17) geeft het aan. Nieuwe (Grieks: neon) wijn moet in nieuwe (Grieks: kainos) zakken gedaan worden. Het eerste nieuw is nieuw van tijd. Jong dus, zoals nieuwe wijn jong is. Net geperst, kort gerijpt, gebotteld, gekocht en gedronken. Matteüs gebruikt voor het nieuwe van de zakken een ander woord. Nieuw van kwaliteit. Van een andere basis dan het oude. 

Breng je dat bij elkaar, dan gaat het erom het oude algemeen ongetwijfeld christelijk geloof dat de Kerk van alle tijden en plaatsen belijdt telkens nieuw te leren verstaan. Nieuw van tijd. Dat betekent dat je bij al het oude dat je kent, hoort en belijdt je het nieuwe ervan moet durven te geloven. Geloof dat zich niet vernieuwt verkurkt (wordt ongetwijfeld niet het nieuwe woord van 2022) en vertroebelt. En ondertussen doen we alsof het steeds kostbaarder wordt. Het gevaar daarvan is uiteindelijk een of andere vorm van fundamentalisme. En zonder dat we er erg in hebben spoelen daarmee de laatste restjes levend (te verstaan als vernieuwend) geloof weg. Het spoelt weg omdat gelovigen zich als oude zakken gaan gedragen.

Nieuw van kwaliteit gaat om ons hart. Ons gelovig hart. Om onze ziel. Onze gelovige ziel. Om heel ons gelovig-zijn. Nieuw van kwaliteit gaat ook om de kerken. Durven wij en de kerken het aan om als Abraham de oude sporen te verlaten en nieuwe sporen te gaan? Stel het je eens voor. Abraham had de wereld van afgoden en sterrenkijkers achter zich gelaten voor een beeldloos God. Die zegt hem op een avond dat hij naar de sterren moet kijken. Dat was voor Abraham in feite oud geloof. In de sterren stond te lezen hoe de toekomst er uit zou zien. Maar nu wijst de beeldloze God hem op iets nieuws. Wat je denkt dat in de sterren staat geschreven is verleden tijd. Ouwe koek. Het licht van de sterren die je ziet is van sterren die al lichtjaren verder zijn of die op het moment waarop je ze ziet allang dood zijn. Het nieuwe zit in een mens, zegt God. In een kind. Nee, in kinderen. In ontelbare kinderen. Dat is werkelijk toekomst.

Nieuw en nieuw. Nieuw van tijd en nieuw van kwaliteit. Dat komt hierin bij elkaar. In Klaagliederen. Het ouwe (klaag)liedje wordt plotseling onderbroken door het nieuwe van God. Elke dag is zijn goedheid nieuw! (Kl. 3, 23). God is dus niet eeuwig-oud, Hij is eeuwig-nieuw. Elke dag nieuw te verstaan. En zijn goedheid dagelijks nieuw verstaan en ontvangen, maakt ons, ‘oude zakken’ die we zijn, nieuw. Nieuwe wijn hoort in nieuwe zakken gedaan te worden. Het gaat er niet om of we van ’40, ’60’ ’98, ’21 of van gisteren zijn. Het gaat erom wat we vandaag zijn. Oud of nieuw. Een kerk en geloof die zich met en door het vernieuwende van God laten voeden heeft toekomst. Want God heeft toekomst. Eeuwig is Hij dezelfde, en altijd nieuw!

Van nieuw naar nieuw wordt het, als wij onze kinderen het nieuwe van God gaan leren. En dat kan. Als we zelf dagelijks Gods goedheid nieuw verstaan. 

Her-Schepping

Schimmige schemer
omwolkt de wereld -
een negligé 
van nachtelijke nevel 
omsluiert 
levenloze lippen,
bedekt 
woeste lege ogen -
het ondoorgrondelijke 
naakte bestaan.
een Woord, 
flatteus,
een Licht, 
gracieus,
ademt, 
hartstochtelijk,
een bries 
verlokkelijk
de Geest ontdekt -
leven wordt gewekt - 
Ik tegenover Gij.

In het begin was het Woord

het Woord was bij God

en het Woord was God

Joh. 1, 1
© Johan Duijster 2021

Dat al je dagen vol liefde licht en leven zijn.

Pleuny en Johan

Zomaar een kerstverhaal

Het was volop licht. De schapen deden hun ding. Ze consumeerden onafgebroken en met een bijna onverzadigbare honger in dicht opeengepakte kudden. Harteloze herders (ook wel Big Brothers genoemd) hielden alles nauwlettend in de gaten met hun camera’s en hun megagrote schermen. Waar nodig vulden ze de tekorten aan, zodat elk schaap tevreden bleef consumeren en geen enkel schaap, hoe klein ook, er maar over nadacht om af te dwalen. 

Op andere, meer hoger gelegen plaatsen, waren wereldwijzen (trendwatchers en futurologen) bezig met visie te vormen op de toekomst. Alles wat ze zagen, niet zagen en meenden te zien werd zorgvuldig geanalyseerd en vertaald zodat de grote wereldleiders niet voor vervelende verrassingen kwamen te staan. Ze wilden niets liever dan dat de opeengepakte kudden schapen naar hartelust konden consumeren. Hun goede voorspellingen zouden de vaart erin houden. De welvaart.

En het geschiedde dat ergens een groepje arme wereldwijzen van een niet-wetenschappelijke orde iets duisters ontwaarden, ergens in een uiterste hoek van het universum. Zij raadpleegden hun ernstig verouderdere databestanden en ze ontdekten ondertussen dat het teken dichterbij kwam. Het was van een verbijsterende eenvoud. Het ging gehuld in een mantel die het, naar het scheen, ter bescherming om zich heen had geslagen. De wijzen raakten ervan in de ban en ze besloten het teken te volgen. Want alles wees erop dat er een nieuwe wereldleider was geboren.

De arme wereldwijzen moesten er een lange reis voor maken. Soms meenden ze dat ze het teken uit het oog hadden verloren, maar dan was het er plotseling weer op klaarlichte dag. Groter en donkerder dan de keer ervoor. En eindelijk meende ze te begrijpen waar ze moesten zijn. Natuurlijk, al hun data, hoe oud ook, wees erop. Waar anders zou een groot wereldleider worden geboren, dan in het land waar het meeste voedsel voor de hongerige schapen geproduceerd werd.

En zie, toen de arme wereldwijzen in het land waren aangekomen trokken zij her en der aan bellen van heilige huisjes. Het nieuws bracht aanvankelijk ontsteltenis. Ze werden uitgenodigd in belangrijke vergaderingen. Ze ontdekten dat velen door het nieuws van het teken van slag raakten. Wat moesten ze met het nieuws dat er een nieuwe en grote wereldleider was geboren? Wat zou dat voor hun positie betekenen? Hun eigen wereldwijzen werden aan het werk gezet, maar zij konden niets vinden. Ze ontdekten het teken niet en begrepen de oude datatabellen niet. 

En het geschiedde toen de belangrijkste wereldleiders van de onrust hoorden, dat zij de arme wereldwijzen in het geheim bij zich lieten roepen. Ze gaven hen te verstaan dat ze de wereldorde niet onnodig moesten verstoren en droegen hen op zo snel mogelijk te vertrekken en drukten hen op het hart nooit meer terug te keren. De arme wereldwijzen knikten, geïntimideerd als ze waren door zoveel macht, hielden wijselijk hun mond en gingen weer op weg. Meteen zagen ze het teken weer. Duidelijker en donkerder dan ooit. Ze volgden het teken totdat het plotseling boven een grot bleef staan. Ze traden nederig binnen en zie, ze waren buiten zichzelf van zinnen bij wat ze toen zagen. 

Een figuur, kolossaal corpulent, nauwelijks nog een mens te noemen, badend in vloeibaar goud, omringd met weldadige wierookwalmen, droeg op zijn hoofd, dat glom van vloeibare en peperdure mirre, een schitterende kroon. De kroon bestond uit ontelbare kleine kroontjes en zou een waar kunstwerk zijn geweest als het er niet zo dreigend had uitgezien. Bloedrood en donker stak de kroon af tegen zijn goudgele huidskleur. En terwijl zij diep voor deze figuur bogen gaf hij hen geschenken.

En zie, elk van hen kreeg een kroontje uit zijn kroon van gelijke schoonheid. En hij drukte hen op het hart dat ze de kroon voor zichzelf moesten houden. Als ze dat niet deden, zou dat zeer vervelende gevolgen hebben voor degenen met wie ze hun kroon zouden delen. Hij waarschuwde hen dat als zij toch terug zouden gaan, om hun kroon met anderen te delen, dat de kroon telkens weer een andere vorm zou aannemen, met steeds opnieuw nare gevolgen.

Buiten gekomen en nauwelijks hun schrik te boven geschiedde het dat de arme wereldwijzen toch teruggingen naar de machtigen van de wereldorde. Ze besloten een lange neus te trekken naar deze machtigen, met het bewijs dat ze gelijk hadden gehad. En ondanks de waarschuwing van de nieuwe wereldleider zouden ze hun geschenken niet alleen delen, ze zouden deze weggeven. Om de machtige wereldleiders een lesje te leren. Wie weet zouden ze voortaan een toontje lager zingen. Ja, wie weet zouden voortaan al die volgevreten schapen met hun onverzadigbare honger, en hun harteloze herders, ook een toontje lager zingen.

Opgetogen gingen de arme wereldwijzen haastig heen en gaven hun geschenken met een goddelijk genoegen weg. Met niets waren ze gekomen, met niets gingen ze terug. En ze vervolgden hun weg met grote blijdschap en vertelden niemand wat ze gezien en gedaan hadden.