500

Museum Haarlem houdt een expositie over 500 jaar ziekenzorg in en rond Haarlem. Er is in 500 jaar veel veranderd. Ooit begon het met een gasthuis voor zieken. De zorg ging niet verder dan tweemaal daags een maaltijd. Dat klinkt logisch als je aan moet sterken. Maar door gebrek aan hygiëne was het gasthuis meer een sterfhuis. Wie in het gasthuis werd opgenomen liep gerede kans dat met de dood te moeten bekopen. Vandaag is het andersom. De hele zorg is op herstel gericht. Onderzoek, techniek en hygiëne zijn onmisbare instrumenten geworden van de gezondheidszorg.

luther-playmobilDe Protestantse Kerk Nederland (o.a.) besteedt dit jaar ook aandacht aan 500 jaar. In haar geval, aan 500 jaar protestantisme. Of liever, 500 jaar reformatie. Er is in 500 jaar veel veranderd. Ooit begon het met aandacht voor de ‘gewone gelovige’. Met Gods Woord in gewone taal. Met geloven en belijden zonder Kerk-Latijn en tierlantijn. De reformatie ging om een levende kerk voor iedereen. Met haar instrumentarium van de Bijbel in gewone taal en de vijf sola’s (zie https://isgeschiedenis.nl/node/19115)  ging het de reformatie om herstel van de kerk van Jezus Christus.

Vandaag lijkt het erop dat de reformatie de tegenovergestelde beweging van de gezondheidszorg heeft ingezet. Wie vandaag in die kerk rondkijkt, meent vooral een kerk te zien die op een sterfhuis lijkt, waarvan het orgel, de dorpelwachter, de dominee met toga die oproept tot bekering en de jong-gelovige tot museumstukken gepromoveerd zijn.

Dat laatste neem ik niet graag voor mijn rekening. Dat is voor de zwart-witkijkers onder ons en voor degenen die tegen kerk, geloof en God zijn. Want zo is het niet. Wat 500 jaar reformatie gebracht heeft is een kerk die veel beklemmende ballast -zij het met moeite- van zich heeft afgeschud en waar steeds meer aandacht is gekomen voor het allerbelangrijkste principe dat de basis is geweest en nog altijd is van het schepsel ‘mens’. Namelijk, dat deze vrij is. Vrij om te kiezen. Vrij om te geloven, of niet te geloven. Vrij om te kiezen, voor of tegen God. Die vrijheid, dat moet er wel bij gezegd worden, is pas vrijheid als ze de liefde leert. Zonder liefde zouden we geen weet hebben van wat vrijheid is. En zonder vrijheid zijn we…, inderdaad, dood! Zo dood als poppen aan een touwtje.

Maar Godzijdank (!), verlost van Kerk-Latijn en tierlantijn verkondigt de kerk vandaag nog altijd de liefde van God door Jezus Christus. Levendiger dan Hij is, krijgen we de kerk niet. En het is Zijn liefdevolle zorg die geheel op het herstel van Gods schepping is gericht. Niet 500 maar duizend, duizendmaal o HEER, zij U daarvoor dank en eer!

Advertenties

oe-isjke pjaa

Je hebt liefhebbers op allerlei gebied. Van francofielen tot (pedo)filatelisten en van epicuristen tot amforafielen. Toelichting: een francofiel houdt van Frankrijk en onder die verzamelnaam schaar ik liefhebbers van reizen. Een (pedo)filatelist verzamelt (kinder)postzegels. Onder hen schaar ik allerlei soorten verzamelaars. Een epicurist houdt van lekker eten. En een amforafiel houdt van drank. Die laatste term heb ik zelf bedacht. Om het verschil aan te duiden met alcoholisten. Alcoholisten maakt het niet uit wat zij drinken, zolang er maar alcohol in zit. Amforafielen houden van wat zij drinken. Tot die laatste groep behoor ik. Om het preciezer te zeggen, ik houd van oe-isjke pjaa (lett. levenswater), afhankelijk van de streek in Schotland ook wisjkebèë genoemd.

Aha!’, zegt u? Inderdaad, uit de school van amforafielen ben ik een whiskyliefhebber. ‘Afgestudeerd?’, vraagt u? Nee, ik volg nog steeds de lessen. Met veel genoegen, moet ik zeggen. Ik zit in een klas van twaalf studenten. Dat schijnt u een bijzonder aantal toe, meent u? Ja, dat zou best kunnen. Hoe dan ook, voor elke les, we hebben ongeveer vier lessen per jaar, krijgen we een bepaald thema op en daar zoeken we dan een whisky bij. De twaalf leerlingen zijn opgedeeld in zes vaste duo’s. Twee zijn immers beter dan één, gelooft u? Nou ja, het voorkomt drankmisbruik, denk ik. Twaalf soorten op een avond proeven is gewoon teveel van het goede. Daarom koopt de één een fles, de ander zoekt er een geschikt hapje bij.  Dat doen we zo om beurten. Aan het einde van elke les is er een beoordeling. Iedere leerling beoordeelt de verschillende whisky’s op smaak, kleur, geur en combinatie met de hapjes. Het duo met de hoogste score krijgt een bijzondere aantekening.

Naast veel gezelligheid en saamhorigheid en broederschap gaat het om proeven. Het proeven. Smaakt en ziet dat de whisky goed is. Met je neus, met je ogen, met je mond…, zelfs met je oren. Want het is opletten geblazen als je rondom de tafel goedkeurende of afkeurende opmerkingen hoort. Daaruit kun je soms al opmaken welke kant het opgaat. Sommigen houden van zoete, makkelijke, toegankelijke wihisky’s. Sommigen houden van rokerige, medicinale, pittige whisky’s. Sommigen houden van complexere whisky’s waarvan de smaak zich niet 1-2-3 proeven laat. Het is een cliché, maar smaken verschillen. Ondanks die verschillen komen we toch elke avond weer tot een top-3. En ook al heeft jouw whisky niet gewonnen, iedereen gaat vrolijk en opgetogen naar huis en kijkt weer uit naar de volgende les. Waarbij we elkaar beloven onze kennis op peil te houden.

monnik

Toen ik in mijn studeerkamer met dat laatste bezig was en het gouden vocht bedachtzaam ronddraaide in het glas, dacht ik: Ja, je hebt liefhebbers op allerlei gebied. Er zijn bijvoorbeeld ook theofielen. U kent alleen een Theofiel uit Suske en Wiske, zegt u? Dat kan. Want meestal noemen deze liefhebbers zich niet zo. Met Lucas, de schrijver van het gelijknamige evangelie en van de Handelingen der Apostelen, komen we ze op het spoor. Hij heeft zijn werk geadresseerd aan Theofilus, een verzamelnaam voor mensen die ‘geloven in God’ als liefhebberij hebben. Ze komen regelmatig bij elkaar. Want ze zijn nog lang niet afgestudeerd. Ze komen bij elkaar om te proeven. Om te proeven van het oe-isjke pjaa. Ja, daar hoort u van op hé? Maar zo is het. Zij komen om te proeven van het levenswater. In de taal van hun geloof heet het Levend Water.

Boven veel gemeenschapszin en saamhorigheid en broederschap gaat het hun om proeven. Proeven van het Levende Water. Smaakt en ziet dat het Levende Water goed is. Met alle zintuigen. Dat Levende Water noemen ze Jezus Christus. Of Levend Woord van God. Nu heb je in zo’n groep voorkeuren. Want, daar heb je ‘m weer, smaken verschillen. Een aantal van hen houdt van halleluja, hoofd omhoog en hart naar boven. Een andere groep houdt van Jezus voor en na en in de gloria. Sommigen houden meer van het mystieke, van het zoeken en het vragen. Toch, hoe groot de verschillen ook mogen zijn, hun top-3 ziet er altijd hetzelfde uit. Vader, Zoon en heilige Geest. Ze hebben alleen moeite met de volgorde. Kijk, bij whisky is het verschil duidelijk. Je hebt single malts, blended malts en gewone blends. Bij het Levend Water is er geen duidelijk onderscheid. Vader, Zoon en heilige Geest zijn ‘onverdeeld in zijnden en toch van elkaar gescheiden’, zo zei ooit een groot kenner.

‘Het gaat m’n pet te boven’, zegt u? Dat kan ik me voorstellen. Daar gaat een hele geschiedenis achter schuil. Daar komen ze niet op uitgestudeerd. Soms raken over de verschillen in smaak de gemoederen verhit. Maar dan heffen zij het glas en doen er wat te eten bij. Ondanks hun verschillen blijven ze eensgezind, gaan ze vrolijk en opgetogen naar huis en kijken weer uit naar de volgende les. Met daarbij deze aantekening…

…Ik kijk naar mijn glas. Ik ruik nog eens. Met een zucht van verlangen neem ik een slokje en denk: dat het zo toch zou mogen zijn…, in de kerk.  😇

Sa(i)nté! 😋

 

 

Papieren Tijgers

Papieren tijgers. Dat zijn zaken die er dreigend en gevaarlijk uit zien, maar geen werkelijk (schadelijk) effect kunnen hebben, zegt meneer Wiki tegen mij. Helaas is dat niet waar. Onze samenleving is volgestopt met papieren tijgers. Maar dan wel met papieren tijgers die wel degelijk schadelijk effect hebben. Papieren tijgers die de zaken stevig in de klauwen hebben. Neem bijvoorbeeld de papieren tijger die we netjes ‘diploma’ noemen. Zonder dat ‘papiertje’ kom je niet ver. Daar is veel voor te zeggen. Want zonder een bepaalde mate van kennis van zaken loop je zekere risico’s. Neem een brandweerman die de vlam in de pan met een emmer water bestrijdt. Of de boer die probeert een stier te melken. Of een dominee die geen kind wil dopen zonder dat het zwembandjes draagt en die zelf naast de doopvont verschijnt met snorkel en waterbril. Kennis van zaken is belangrijk.

Maar het papiertje kan ook te veel zeggen. Een echte tijger worden. Dat gebeurt als we het onderscheid niet weten te maken tussen kennen en kunnen. Voor heel wat Nederlanders is dat onderscheid moeilijk te maken, net zoals het onderscheid tussen liggen en leggen. Voor zover die moeilijkheid beperkt blijft tot de spreektaal is het allemaal nog niet zo erg. Het wordt pas erg als het in de praktijk niet gezien wordt. Ik neem als voorbeeld het onderwijs. Er zijn gelukkig heel wat docenten die hun kennis goed op orde hebben en die hun kennis ook kunnen overdragen. Zij beheersen hun vak. Problematischer is het met docenten die wel kennis van zaken hebben, maar het vak niet beheersen. Docenten in die categorie zijn er ook genoeg. Daarnaast zijn er docenten die geen docent zijn. Dat zijn degenen die de kennis hebben en het werk vakmatig beheersen, maar toch geen docent zijn, omdat ze ‘het papiertje’ niet hebben. Die worden vanwege het ‘papiertje’, dat er in dit geval dus niet is, weggepromoveerd of -gedegradeerd. In relatie tot de laatste twee categorieën wordt het papiertje de tijger met een schadelijk effect. Want helaas is dit niet hypothetisch. Het gebeurt op alle scholen en de leerlingen zijn er de dupe van. De onderwijsinspectie versterkt deze papieren tijger nog meer, want die voeren alleen maar de protocollen uit, waarin onder andere staat dat alleen bevoegd personeel les mag geven.

En dat brengt mij op een tweede soort ‘papieren tijger’ die schade toebrengt. Protocollen. Deze zijn er omdat we bang zijn dat dingen uit de hand gaan lopen. Ze zijn er omdat we grip willen hebben op wat er gebeurt. De gezondheidszorg is daar een sprekend voorbeeld van. Er gebeuren goede dingen omdat er protocollen zijn. Maar er gaan ook veel dingen onherroepelijk (en dat is in de gezondheidszorg een dodelijk woord) fout, omdat iemand niet buiten het protocol om mag denken en handelen.

Diploma’s en protocollen, ze zijn nauw met elkaar verbonden. Deze papieren ordenen de werkelijkheid. Protocollen kun je leren en vervolgens toepassen. Dat is goed. Teveel nadruk daarop maakt ze tot papieren tijgers die schade toe brengen. Het haalt namelijk teveel de creativiteit uit de mens. Het haalt te veel het learning by doing eruit. Kunnen komt niet alleen voort uit wat je in de boeken leert. Kunnen komt ook op uit de gaven die een mens heeft. Kunnen komt ook op uit vallen en opstaan. Uit trial en error. Uit de dynamiek van het leven. Kunnen is schatplichtig aan het kennen, zoals kennen schatplichtig is aan het kunnen.

Dat brengt mij tenslotte bij een derde papieren tijger. De bijbel. Er zijn mensen die de bijbel graag als een papieren tijger gebruiken. Met opmerkingen als: van kaft tot kaft waar en geen tittel of jota mag eraan ontnomen of aan toegevoegd worden, slaan we de goegemeente om de oren. En als een heilig vertoornde Mozes worden de tien geboden gehanteerd en toegepast als het protocol voor God-vrezend leven. Echter, als we zo met de bijbel omgaan dan vervlakt het leven. Halen we alle creativiteit eruit. Als we de bijbel zo verabsoluteren tot Gods Woord gaat de dynamiek eruit. Dan gaat de geest/ Geest eruit. Er staat immers genoeg in de bijbel wat Gods woord helemaal niet is (e.g. 2Sam.11,1-26). En wat waar is in Gods Woord zit niet ingebonden tussen twee kaften, maar in hoe wij in gesprek met Gods Woord een weg van leven kunnen gaan. Een weg in relatie met God, onze naaste en onszelf.

De bijbel is een zeer behulpzaam boek. We kunnen veel uit de bijbel leren. We kunnen wat we er uit leren als een protocol toepassen. Maar met kennis en het protocolleren van kennis komen we er niet. Sterker nog, Paulus zegt dat kennis een door de tijd beperkt fenomeen is. Kennis gaat verloren. Wat blijft is de liefde (1Kor.13,8). De liefde is het kunnen, het vermogen van het geloof. De liefde behoedt de bijbel ervoor een papieren tijger te worden en geeft het Woord licht en leven dat met ons in gesprek wil zijn. Dat vrijheid biedt om ons leven in relatie te leven met de creativiteit die daar bij hoort. Dat mag zijn inspirerende, dynamische en leefbare weerslag hebben op al het dagdagelijkse leven. En de papieren tijgers doden.

computable-papieren-tijger

Een nalatenschap van het christendom

Het is aan me voorbijgegaan. Ik moet het eerlijk bekennen. Toen twee gemeenteleden het mij vertelden, trok ik het nog ernstig in twijfel. Want het kon niet waar zijn. Het kon toch niet zo zijn dat het overlijden van Harry Kuitert geheel aan mij voorbij is gegaan? Helaas het is zo. Bij het zoeken naar een column van Suurmond in de Trouw, kwam ik een artikel tegen naar aanleiding van zíjn voorbijgaan. De theoloog en ethicus dr. Harminus Martinus Kuitert is niet meer. En dat doet mij oprecht verdriet. Ik voel iets van verbijstering en verslagenheid. Verslagenheid, omdat deze grote theoloog overleden is. Verbijstering, omdat zijn overlijden haast ongemerkt aan mij voorbij is gegaan. Wat rest is zijn nalatenschap. Een nalatenschap van het christendom. Ja, zo zou ik het, naar zijn eigen woorden, willen noemen. Want hij heeft mij, en naar ik hoop velen met mij, geleerd te geloven.

Wie zijn theologisch oeuvre van horen zeggen kent, zal vreemd opkijken. Harry Kuitert? Hij is toch de man die weinig tot niets heel liet van Christus en het christendom? Hij is toch de theoloog wiens woord over God, en van ieder ander die poogt te spreken over God, naar eigen zeggen hooguit en vooral niet meer dan een woord van beneden is? Hij is toch de kerksloper die elke steen van de tweeduizend jaar oude kerk in zijn handen heeft gewogen en te zwaar heeft bevonden en dus de kerk en haar fundament afbrak. Ja! Het mag vreemd klinken, maar ja, hij is het die mij leerde geloven.

Ik ben van het soort ‘late roeping’. Van huis uit gereformeerde bond. Predikant geworden in een gereformeerde kerk van confessionele signatuur binnen de PKN. Vandaag predikant in een hervormde gemeente die zich rekent tot de midden-orthodoxie. En, ik geef het toe, ik ben, zij het met veel pijn en moeite, lid van het Evangelisch Werkverband. Noem mij een zwalker. Noem mij een opgewaaid blad dat met alle winden meewaait. Noem mij voor mijn part een Kuitertiaan (al vind ik dan Kuitertijn – naar de zojuist door mij opgerichte orde der Kuitertijnen – mooier). Zelf noem ik mij al sinds ik op een formulier ‘kerkelijke gezindte’ in moest vullen ‘christen’. Ik heb gepreekt in de christelijk gereformeerde kerk. Ik ben voorgegaan in een doopsgezinde gemeente. Tijdens vakanties bezoek ik zo vaak als het lukt de plaatselijke kerk, meestal een Roomse Mis. En dat allemaal dankzij Harry Kuitert. Hij heeft mij geleerd mijn geloof voortdurend kritisch te betwijfelen. Hij heeft mij tot nadenken gezet over wie Jezus is, toen hij zorgvuldig en met toewijding laag voor laag van het twintig eeuwen oude gebladderde Christusbeeld verwijderde. Hij ging mij voor in het afbreken van  kerkmuren.

Vaak heb ik gehoord en ook zelf beaamd dat Harry Kuitert niets zou overhouden. Regelmatig als ik samen met een collega jogde, of een kop koffie dronk, bespraken we kort zijn laatst verschenen boek en preludeerden al op zijn volgende boek met de woorden: “Je weet al waar het over zal gaan. Hij gaat zover totdat hij niets meer overhoudt van het van oudsher en met de kerk van alle tijden en plaatsen beleden algemeen en onbetwijfeld christelijk geloof.” En inderdaad, we kregen gelijk. Zijn laatste boek met de veelzeggende titel Kerk als constructiefout was de laatste steen die hij zorgvuldig en toch ook met enig hartzeer verwijderde. Want hij bleef volhouden lid te zijn van een kerk die hij zelf tot de laatste steen afbrak.

Maar wie goed leest ontdekt dat hij er iets voor in de plaats geeft. Ik wil het als eerbetoon aan Kuitert zijn nalatenschap van het christendom noemen. We moesten er heel lang op wachten. Na vele boeken, vele bladzijden, vele haarscherpe metaforen, tot dit laatste boek, tot bijna de laatste pagina. Daar pleit hij voor een open, dus niet ommuurde (!), geloofsgemeenschap. En die open geloofsgemeenschap krijgt van hem de zekerheid mee dat zij zich niet druk hoeft te maken over de overlevering. Want de overlevering overleeft het wel! Dus ook zijn afbraaktheologie. Voor mij staat Kuiterts theologie geheel ten dienste van die overlevering. Daarin was hij, tegen wil en dank wellicht, een navolger van Jezus Messias die het tempelplein uitmestte, de tempel afbrak en het voorhangsel tot het allerheiligste deed scheuren toen van Hem geen steen op de andere werd gelaten. Kerkmuren moeten immers om, kerkbanken van dogma’s die toch al nooit echt lekker zaten moeten afgebroken worden en de zware gordijnen voor de prachtig gestileerde kerkramen die de allerheiligste huisjes van de traditie beschermen moeten worden losgescheurd als het om de overlevering gaat. Jezus wist dat en handelde ernaar en Hij vertrouwde erop dat de overlevering het wel zou overleven. En, wat bleek, Hij hoefde er maar drie dagen op te wachten.

Zijn overlijden mag aanvankelijk aan mij voorbij zijn gegaan. Harry Kuitert (11 november 1924 – 8 september 2017) mag voorbij zijn gegaan. Maar ik koester voortaan zijn nalatenschap van het christendom. De overlevering overleeft het, overleeft hem en overleeft ons wel. Want het is alles, behalve kennis.7459474full

Ik wil PINDAKAAS

120520nt_beeldvorming_kln_w714_h714

Van kinderen valt veel te leren. Bijvoorbeeld de wijsheid dat ‘teveel van het goede’ juist niet goed is, moet ons door een kind geleerd zijn.

LES 1: Het was vakantietijd. We stonden op een Franse camping en we aten pannenkoeken. Daar zijn de meeste kinderen dol op. Ook mijn dochter was er dol op. Ze at een paar pannenkoeken en vanuit mijn ooghoek had ik al gezien dat er steeds een beetje meer jam op ging. Toen het mij te gortig werd (en dat is heus niet zo gauw, ik houd ook van een goed belegde pannenkoek) nam ik de jampot in de hand, keek eerst naar het etiket en zei quasi nonchalant: “Dus jij vindt jam lekker hè!” Ze knikte geestdriftig met haar mond nog vol van de vorige pannenkoek. “Dan moet je de rest ook maar opeten”, zei ik en leegde het restant, ongeveer de helft van de pot, op haar volgende pannenkoek. Sinds die tijd, we zijn inmiddels ruim twintig jaar verder, eet zij geen jam meer. Ze heeft teveel van het goede gehad.

LES 2: Eén van mijn kleinzonen, hij heeft het Syndroom van Down, bracht een andere wijsheid onder de aandacht. Hij mag ’s morgens bij het ontbijt altijd kiezen wat hij op brood wil. Dan houden we hem een pak hagelslag voor en een pot pindakaas. Of worst en pindakaas. Of kaas en pindakaas. Soms kiest hij iets anders, maar meestal pindakaas. Op zekere morgen wilde hij echter helemaal niets. Geen hagelslag, geen worst, geen kaas en ook geen pindakaas. De waarheid kwam al gauw aan het licht. De pindakaaspot had een nieuw etiket gekregen. Die kende hij niet, dus die hoefde hij niet. Hij mag dan Down hebben, maar hij laat zich geen knollen voor citroenen verkopen. Toen zijn moeder een eerste stukje brood met overredende kracht en met enige forcerende middelen in zijn mond had gestopt, at hij daarna twee boterhammen met pindakaas.

Het deed mij denken aan het tweede gebod. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel, op de aarde of in het water onder de aarde is (Ex. 20,4). De reclamewereld lijkt daarvoor op goddelijk gezag een uitzondering te hebben ontvangen. Een uitzondering heb je immers nodig om de regel te bevestigen. De reclamewereld is niet zozeer bezig met de inhoud te verkopen, de reclamewereld wil de verpakking zo attractief mogelijk maken. Het maakt de snelle jongens en meiden van de reclame niet uit wat er in de verpakking zit. Als het maar verkoopt. Dus maken ze overvloedig gebruik van beeldvorming. Op basis daarvan maken consumenten hun keuze. Om die reden adoreren ze ‘hun geliefde’ product. Om die reden wil ik niet met een ander mobieltje gezien worden dan met een iPhone. Om die reden rijd ik in een DS 5. Een andere auto kun je niet verwachten bij een dominee.

LES 3: Beeldvorming. Het is allemaal beeldvorming. En we laten ons een rad voor ogen draaien. Ondanks de wijsheid van de Bijbel die ons onder wijzen wil brengen. Van beeldvorming hebben dominees misschien wel het meest last. Van hen wordt gezegd dat ze in een glazen huis leven. Helaas, ik moet dat beeld bevestigen. Al heb ik er een soort kruistocht van gemaakt om dat beeld ondersteboven te schoffelen, het beeld is hardnekkig. Ik wil graag domiNEE zijn. Nee, ik ben niet 24/ 7 met mijn werk bezig. Nee, ik loop niet in het zwart. Nee, als je mij ziet fietsen of lopen in het dorp ben ik niet altijd op weg naar een pastorant. Nee, ik verteer niet alles even goed van wat men op mijn bordje legt. Nee, ik heb niet overal een antwoord op. Nee, ik geloof niet altijd. Nee, ik ben niet altijd leuk, geduldig, minzaam etc. Nee, ik preek niet uit mijn hoofd. Nee, ik kan niet altijd in een uurtje de hele ‘show’ afwerken. Nee, ik draag geen toga. Nee, het gaat niet om de verpakking. Niet om het beeld dat ik probeer te creëren door het af te breken. Nee, moet ik altijd ook tegen mezelf zeggen, het gaat niet om jou. Het staat in grote letters op mijn bureau geschreven. It is God who bestows divine grace, not the preacher! En het Nederlandstalige equivalent ervan staat er naast: Het is de heilige Geest, niet de beheersing van methodes die de boodschap overbrengt.

In een vorige gemeente kwam regelmatig een predikant preken waar de hele goegemeente wel iets tegen had. Vanwege een beeld dat men van hem gecreëerd had. Hij was te oud. Niet altijd meer even scherp en zijn stem had danig te lijden onder de maalsteen van de molen uit Prediker 12,4. Dus kozen velen ervoor om, als hij voorging, elders te winkelen. Of thuis voor de beeldbuis te winkelen.  In de kerk, onder het tanende gehoor, zat een jonge kerel. Kind van het winkelende publiek. Hij zei: “Ze moeten eens niet zo zeuren. Ze kunnen beter luisteren naar wat hij te zeggen heeft. Dat is nog heel wat.” Die preek zal ik nooit vergeten.

Doe mij nu dan maar een boterham met pindakaas. Voordat het mij allemaal te veel wordt.

De dominante dominee en de miezerige mier

Ergens op de biblebelt komen dominees in vergadering bijeen. Ze stromen toe als mieren op een hoop. Begrijpelijk, want er zijn gewichtige dingen te bespreken. De ontwikkelingen van de Protestantse kerk in Nederland. Noem dat maar niet gewichtig. Gewichtige vragen worden aangedragen en op tafel gelegd. Is de exodus aan gemeenteleden niet een teken aan de wand? Zou het teken aan de wand niet verstaan moeten worden als dwaling van de kerk waarna het oordeel van diaspora haar en haar gediasporeerde leden onvermijdelijk en zwaar treft? Is de kerk zo langzamerhand niet in ballingschap geraakt? Zijn we vreemdelingen geworden? Of eenzame priesters? Of allebei? Vragen waar je je met gemak aan vertillen kunt. Ik zit erbij en hoor het allemaal aan.

'Hey, stupid! Don't start something you can't finish!'

Dan zie ik een mier. Ze tippelt over mijn tafel, spurt lichtvoetig  tegen mijn koffiekom op en kijkt zoekend rond. Als ze niks vindt kruipt ze kriebelig over mijn hand. Ik veeg een keer en weg is ze. Ze komt haar val eenvoudig te boven en gaat verder, haar tocht vervolgend over de gladde vloer. Ik volg haar met mijn ogen en zie dat ze onder een tafel tegenover mij zich voegt bij een hoopje andere mieren. Vervolgens kruipt ze loodrecht langs de tafelpoot omhoog en verkent dat platform. Totdat de daar aangeschoven dominee haar in het oog krijgt en… haar doodt. Hij krijgt ook de andere mieren in het vizier die rond zijn voeten al een begrafenisstoet lijken te vormen en hij aarzelt niet. Hij doodt ze stuk voor stuk door zijn grote voeten lichtzinnig boven op hen te plaatsen. Bijbelvast als hij is op de biblebelt, moet hij gedacht hebben dat het mierenvolkje een volkje zonder kracht is (Spr. 30,25).

Twee lijnen. De dominee en het mierenvolkje. De dominee zet ik gemakshalve als exponent die hij/ zij er nou eenmaal van is, gelijk met de kerk. Het mierenvolkje met de kerkgangers. De dominee maar eerst. Misschien is het niet helemaal eerlijk om de dominee met ‘de kerk’ gelijk te stellen, maar ik vind daar grond voor in hoe mensen, kerkganger of niet, naar een dominee kijken. Zo de dominee, zo de kerk. En het omgekeerde gaat ook vaak op. Zo de kerk, zo de dominee. Om maar een simpel voorbeeld te geven: het is ondenkbaar dat een dominee van een rechts-orthodoxe kerk bij een temperatuur van 25°C-plus in een korte broek, of een lichte zomerbroek op huisbezoek gaat. Nee, het moet donkerblauw en liefst zwart zijn.

Genoeg daarover. Wat ik er mee wil zeggen is dit: Sinds de eerste gemeente (Hand. 2) is de kerk geworden wat ze niet had mogen worden. Ze is ‘geïnstitutionaliseerd’. Ze is in dezelfde val getrapt als ‘de kerk’ in Jezus’ dagen. Daarmee matigt ze zich oordelen aan. Dogma’s, wetten, regels, wat ook maar, om het instituut ‘kerk’ haar gezag te geven. De kerkleiders hebben dat niet kunnen en/ of willen voorkomen. Een logisch gevolg is dat de kerk zich moet bezinnen. Misschien is Kerk 2025 een positieve stap. Maar als de dominee lichtzinnig zijn grote voeten op het kerkvolkje zet, omdat hij het ziet als een volkje zonder kracht, zijn alle plannen, hoe goed bedoeld ook, even sterk als het mierenvolkje dat onder de grote voeten van de dominante dominee vertreden wordt.

Het mierenvolkje. Voordat ik verder ga eerst een weetje. Weet je dat onderzoek onlangs heeft aangetoond dat dat mierenvolkje zonder kracht altijd de weg naar huis weet terug te vinden (zie Trouw 20 jan. 2017)? Of mieren nu achteruit moeten lopen, van hun spoor afgehaald worden, misleid worden met spiegeltjes om de stand van de zon anders te doen lijken, hun mierenkompas brengt ze altijd weer naar de mierenhoop.

Je kunt het mierenvolkje dus inderdaad even achteloos als lichtzinnig op één lijn zetten met het kerkvolkje. Veel leden van het kerkvolkje hebben allang hun biezen gepakt. Zij wilden niet vertreden worden. En terecht. Een deel van het kerkvolkje is opgeschoven naar het midden, naar links, naar rechts, of naar evangelisch. Een deel is zoekende en een deel is zoekgeraakt. Want iedereen die het kleine beetje verstand van een mier heeft, weet dat we niet zijn uitgerust met een kerkkompas, maar met een Godskompas (Gen. 1,27; Joh. 1,14). Velen uit dat kerkvolkje laten zich, net als een mier die op weg naar huis is, niet misleiden, verleiden en afleiden, zodat men de weg naar huis kwijtraakt. Het gediasporeerde kerkvolkje zal zich de weg naar huis herinneren (Joh. 14,4).

Maar wat nu als een deel van het kerkvolkje zo zwak is, dat het de weg niet meer weet? Beste dominees in vergadering bijeen: daar zijn wij nou dominees voor! Binnen onze gesloten muren van de kerk zijn we het waarschijnlijk allang verleerd. Maar die miezerige mier, die over mijn tafel kroop, en uiteindelijk werd gedood wilde het ons leren. Zij was een Godsgezant! Ga tot de mieren (…) en wordt wijs! (Spr. 6,6)

Boekentip: Te lezen in het verlengde hiervan zijn Stefan Paas’, ‘Vreemdelingen en priesters’ en Harry Kuiterts ‘Kerk als constructiefout’

Quote: ‘Ook in wat je niet kunt eren is genoeg aanwezig om toch te leren!’

 

Waarom en Waarover?

Waarom een blog beginnen? Omdat ik graag schrijf. Normaal gesproken wordt wat ik schrijf in de plaatselijke kerkbode gepubliceerd. Althans, zo was het in mijn eerste gemeente. In mijn huidige gemeente is men gewoon wat zakelijker. Elke extra pagina kost al gauw meer geld. Dus zoek ik een ander medium, want sommige mensen missen het weer als ik het niet doe. Dat laatste geldt in ieder geval voor mijzelf.

Waarover ik schrijf is dat wat mij bezighoudt. Dat kan iets zijn wat ik in de krant gelezen heb, Het kan een gebeurtenis zijn uit mijn directe omgeving. Het kan een kritische reflectie zijn op mijn eigen gedrag/ geloof. Wat ook maar. Schrijven helpt mij mijn gedachten te ordenen. Laat me soms zelfs van mijn geloof vallen. Dat laatste, zo heb ik geleerd,  is goed. Een ‘vast’ (in de zin van rigide) geloof kan een molensteen om je nek zijn. Of een steen des aanstoots voor anderen. Schrijven helpt mij soms ook dingen anders te zien. Misschien gebeurt het een of het ander bij de lezer ook. Zo niet, ook goed. Als de lezer er dan maar plezier aan heeft. Want dat is bij mij doorgaans wel het geval. Ik heb er gewoon plezier in. In schrijven. Dus ‘vide lege’ zou ik zeggen!

Basic-Fit

Ik doe aan fitness dus. Afgelopen november begonnen. Gelukkig is het voorjaar aangebroken en kan ik eindelijk weer op de racefiets. Gewoon weer lekker buiten sporten. Want eerlijk gezegd ben ik er even helemaal klaar mee.

Neem nou de laatste keer. Ik zat te zweten op zo’n fiets zonder wielen. Hoe hard ik ook trapte, ik kwaHijikm geen steek verder. Gemeten naar lichaam, bedoel ik. Toen ik met fitness begon was ik 98 kilogram. De laatste keer dat ik ging was ik 102 kilogram. Thuis kijk ik angstvallig vaak in de spiegel. Want misschien neem ik wel in gewicht toe, omdat mijn spieren groeien. Dat hoopte ik! Niks van dat alles.

Hoe dan ook, ik zat op de fiets en keek om mij heen. Overal waren mensen bezig. Allemaal ‘goddelijke’ lijven. Goddelijk, voor zover je dan de mannelijke sporters op Adonis betrekt en de vrouwelijke sporters op Aphrodite. En verder moet je opboksen tegen fitnessmodellen via flatscreens die je uitdagen nog harder te trappen, nog meer gewicht te tillen, nog vaker op te drukken, etc. Want wie wil er niet zo ‘goddelijk’ uitzien? Dus sport je je helemaal suf. Met Psalm 8,6 in je achterhoofd en de ‘goddelijke lijven’ voor ogen.

Tussen al die mensen door was mij al eens eerder atypische sporter opgevallen. Hij is er ook altijd als ik er ben. Ik verdenk hem er zelfs van dat hij er gewoon elke dag is. Hij is een stuk ouder en veel, heel veel corpulenter dan ik. Laat ik het zo zeggen, hij heeft geen begerenswaardige gestalte. Zeker niet als je kijkt naar alle zwoegende ‘goddelijke’ lijven – voor deze ene keer reken ik mijn eigen lijf ook tot die categorie want zelfs mijn lijf ziet er topfit uit vergeleken bij het zijne. Hij doet altijd allerlei soorten oefeningen in een tempo dat verraadt dat hij alle tijd van de wereld heeft. En ondertussen probeert hij met elke Aphrodite en Adonis een praatje te maken. Maar geen van hen geeft thuis. Ze hebben wel wat anders aan hun lijf. Ik mijd hem ook altijd, want ik kom niet voor een praatje. En ik wil zeker niet op hem gaan lijken.

Of het nu kwam omdat ik tijd genoeg had om na te denken op een fiets die niet vooruit komt, of omdat de Veertigdagentijd net begonnen was, weet ik eerlijk gezegd niet. Maar ik moest, toen ik hem de laatste keer zag, zomaar ineens aan Jesaja 53 denken. Aan die Man die altijd onder ons wil zijn. Hij ziet er niet uit. Hij wordt door mensen gemeden. Niemand wil op Hem lijken. Een Adonis zal Hij nooit worden. Hij spreekt de mensen graag aan, maar niemand luistert. Midden onder u staat Hij die Gij niet kent, zingt Gezang 162 (LvdK). Nee, we willen Hem niet kennen.

Als het om ons lijf gaat doen we veel om fit te blijven. Als het om onze ziel gaat doen we beduidend minder. Hoegenaamd niets! Maar het wonderlijke is, dat hoeft ook niet. Want al zou je het niet zeggen als je Hem aanziet, maar dat lijf, dat elke schoonheid mist, heeft meer gewicht gedragen dan alle powerlifters in de wereld bij elkaar.

Basic-Fit worden we door ons door Hem aan te laten spreken. Door gewoon maar Hem te volgen. Net als Zijn leerlingen deden. En soms door ons gewoon door Hem te laten dragen. Daar heeft Hij geen enkele moeite mee. Dan gaan we vanzelf meer en meer op Hem lijken. Worden we meer en meer Zijn gestalte, Zijn lichaam. Na Pasen heeft dat iets goddelijks gekregen. Dat is toch wat we willen?

Onbewoonbaar verklaard

God is uit de hemel gezet. Het zat er eigenlijk al een tijdje aan te komen. Of Hij het zelf heeft zien aankomen, weet ik niet. Ik geloof van wel. Want ik geloof dat Hij het allemaal wel overziet. Veel beter dan wij mensen het overzien. Hij is in de hemel en wij zijn op de aarde (o.a. Ps.115). Tenminste, zo was het tot nu. Sinds 27 mei 2017, twee dagen na Hemelvaart (!) is Hij dus uit de hemel gezet. Nu hadden wij deze haast bovenmenselijke krachttoer óók kunnen zien aankomen. Want in 2005 hield de van de PThU te Kampen scheidende hoogleraar ethiek, Frits de Lange, in zijn afscheidsrede zijn 20 AURORE L ASCENSIONgelovig gehoor voor dat hij óók afscheid nam van een persoonlijk God. Zoiets als een transcendent goddelijk Wezen dat boven ons is geplaatst ‘in een bovennatuur (…) lichtjaren van ons verwijderd’ is zo onbereikbaar ver weg dat enig contact daarmee onmogelijk is. Het zal wel daarom zijn dat Hij te weinig ingreep in onze aardse werkelijkheid, en dat Frits de Lange ons daarom voorhield dat het beter is om afscheid te nemen van zo’n god-ver-weg.

Dat is heel consistent geredeneerd, moet ik zeggen. Want als je niet gelooft in een persoonlijk God, dan kun je ook niet geloven dat Hij ingrijpt. Dus greep De Lange zelf in met een deconstructie van het bovennatuurlijke theïsme. God kan wel immanent, inwonend zijn, om het maar zo te zeggen, maar niet buitenwonend, of bovenwonend. Om het met de woorden van De Lange te zeggen, ‘God is geen afzonderlijk wezen, maar alomvattende Geest’. Dat vraagt niet om een biddende gemeente, maar om een ‘bezielde toewijding‘ aan die alomvattende Geest. Dat is voor De Lange de kern van religie. Zo trok hij in 2005 als scheidende vertegenwoordiger van de protestantse geloofscorporatie langs de hemel en timmerde een bordje aan de hemelpoort. Onbewoonbaar verklaard. God zat hem blijkbaar gewoon te hoog.

Geheel consistent met die daad, heeft hij dus onlangs (zie Trouw 170527) het einde aangekondigd van de hemel. De deconstructie is voltooid. De door hem onbewoonbaar verklaarde hemel is door hem vervolgens ook eigenhandig afgebroken. Het is zeer lezenswaardig hoe hij dat gedaan heeft. En net als in zijn afscheid van een persoonlijk God ziet hij ook met het afscheid van de hemel ‘thin places’, ‘doorwaadbare plaatsen’ waardoor God, als de alomvattende Geest die Hij is, onze werkelijkheid binnensijpelt en waardoor er toch nog iets van eeuwig leven ongrijpbaar oplicht tegen de duisternis van ons bestaan. Dat laatste, eeuwig leven, is dus ook verdwenen met de hemel. De Lange zegt: ‘Je leeft eeuwig als je beseft te leven zonder grond, te leven zonder een andere reden van bestaan te hebben dan dat je er bent, onvoorwaardelijk.’

Ik vind het nogal wat. Nee, ik vind het helemaal niks. Ik heb een duister vermoeden dat deze oud-hoogleraar ethiek te Kampen dezelfde weg bewandelt als de oud-hoogleraar ethiek aan de VU, Harry Kuitert. Deze laatste begon ooit met een reconstructie van Jezus, maar met elk boek dat daarna verscheen bleef er steeds minder van het christelijk geloof over. De reconstructie werd een deconstructie. Wat volgens hem overbleef is een god van verbeelding, door onszelf gecreëerd. Zo’n god mag natuurlijk niet bestaan, want dat gaat tegen het tweede gebod in.

Maar goed, nogmaals, ik vind het helemaal niks. Een God die niet transcendent is heeft geen hemel nodig. Dat kan ik nog volgen. Maar wat doen we dan met Johannes 14, waar Jezus zijn leerlingen vertelt dat Hij naar de Vader gaat die een huis heeft met veel kamers? Wat doen we dan met de hemelvaart van Jezus? En hoe verstaan we dan de woorden dat God in een ontoegankelijk licht woont (1Tim.6,16)? Of waar blijft de hemel van Prediker (5,1)? Moeten we zijn waarschuwing niet wat serieuzer nemen als we spreken over God? In Openbaring 21 wordt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde gezien. Een nieuwe aarde? Ja, graag! Een nieuwe hemel? Waar is dat goed voor? Die is er toch niet, aldus eerwaarde De Lange.

Kijk, ik begrijp heus wel dat ‘hemel’ een uitdrukking is. Een naam. Voor mijn part noemen we de hemel anders. Of nee, toch maar niet. Want de Bijbel spreekt over de hemel. Als ontoegankelijke plaats van God. Van waaruit Hij wel degelijk ingrijpt. Ik zou zeggen, zonder zijn ingrijpen kunnen we die nieuwe aarde ook wel schudden. En over ingrijpen gesproken, hoe zou Jezus ooit naar het ondermaanse gekomen en weer naar het bovenwolkse teruggekeerd zijn? Waar dat ook is.

Oké, Frits de Lange heeft getrouw aan zijn afscheid van een persoonlijk God nu dus ook de hemel afgebroken. Terecht natuurlijk, want als er toch niemand meer woont…?! Hij heeft er twaalf jaar over gedaan om af te breken wat God in één dag geschapen heeft. Dat dan weer wel. Maar ja, hij is God natuurlijk niet.

Ik kijk toch stiekem nog even naar boven. Naar waar ooit iets als ‘hemel’ moet zijn geweest. Het is alsof ik wat mis. Ik voel me doelloos, zonder grond, van reden beroofd, voor wat het waard is. Plotseling hoor ik een stem. “Wat sta je nou naar de hemel te staren?” Ik schrik op. Twee mannen. Als één van hen nou maar niet Frits de Lange is.

Ik loop naar huis en bid van harte dat ik het mis heb. Ik smeek dat hij alstublieft dan toch maar de hoeksteen heeft laten liggen.